Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.5.3
4.5.3 Criterium (i) relevante en juiste gegevens verstrekt
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661419:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Of als de toezegging niet langer van toepassing is wanneer relevante omstandigheden zijn gewijzigd (bijv. HR 21 juni 2019, nr. 18/04340, BNB 2019/126, r.o. 2.4 waarin de feitelijke situatie was gewijzigd); Happé 1996, p. 191.
Hof Den Bosch 13 februari 2020, nr. 19/00393, V-N 2020/28,17, r.o. 4.7 en r.o. 4.3.2.
BNB 2020/120, r.o. 2.3.2 en Kavelaars bij deze zaak onder punt 1. Voorbeelden waarin niet was voldaan aan dit criterium: HR 15 mei 2020, nr. 19/03604, V-N 2020/26.29.4 (81 RO; belanghebbende had meerdere vragen in de aanvraag onjuist beantwoord); Hof ’s Hertogenbosch 30 juli 2020, nr. 20/00033, V-N 2020/59.12 (standpunt van de inspecteur was gebaseerd op onjuiste veronderstellingen ten aanzien van de heffing in België); Rechtbank Breda 13 december 2006, nr. 05/02024, V-N 2007/28.3, r.o. 4.3 (de door belanghebbende geschetste feiten en omstandigheden – waarop de inspecteur zijn toezegging baseerde – wijken essentieel af van de werkelijke situatie). Voorbeelden waarin wel was voldaan aan dit criterium: Hof Den Bosch 13 februari 2020, nr. 19/00393, V-N 2020/28,17, r.o. 4.6; Hof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2008, nr. 07/00100, V-N 2009/7.36, r.o. 4.7 (taxichauffeur had juiste en relevante informatie verstrekt); Rechtbank Gelderland 1 december 2016, nr. 15/6831, N, V-N 2017/14.8, r.o. 10 (belanghebbende had voldoende specifieke vragen gesteld, en juiste informatie verstrekt en haar intentie bij de vragen kenbaar gemaakt).
Douma e.a. 2021, p. 293.
Smit 1984a: ‘Het probleem is nu, dat bij de meeste belastingplichtigen geen volledige inzicht zal bestaan in de vraag welke feiten relevant moeten worden geacht, laat staan enig begrip van de beslissing welke daar rechtens op moet volgen.’
Happé 1996, p. 189.
Gribnau 1998, p. 368-369.
Scheltens in BNB 1979/311.
Zie ook Smit 1984a, ‘beschouwing’ die betoogt dat het probleem is dat bij de meeste belastingplichtigen geen goed inzicht bestaat in de vraag welke feiten relevant zijn. Volgens hem was het beter geweest als de Hoge Raad een criterium zou toepassen dat inhoudt of ‘belanghebbende wist of had behoren te begrijpen dat de relevante gegevens zodanig essentieel waren geweest voor een juiste standpuntbepaling van de inspecteur, dat de gedane toezegging niet als in overeenstemming met die feiten en derhalve niet als rechtens had mogen worden aanvaard.’
Menu 1994, p. 303 (geraadpleegd via Happé 1996, p. 190).
Bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 24 maart 2015, nr. 14/00425, V-N 2015/32.22.1, r.o. 4.7-4.9; Hof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2003, nr. 10-00568, NTFR 2011/1554, r.o. 4.2.
Anders gezegd: verstrekken van onjuiste informatie leidt er in beginsel toe dat niet aan deze voorwaarde is voldaan.
Bijv. Hof Amsterdam 23 mei 2013, nr. 11/00408, V-N 2013/42.12; Rechtbank Gelderland 26 februari 2018, nr. 16/4402 en 16/4403 V-N 2018/26.2.3, r.o. 21-22.
BNB 1979/311. In de literatuur wordt soms gesteld dat (ook) bij inlichtingen de eis van juiste voorinformatie zou gelden, zie Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.B (bijgewerkt tot 12 december 2021): ‘Voor een gerechtvaardigd vertrouwen op de gegeven inlichting is het noodzakelijk dat degene die om informatie verzoekt zelf te goeder trouw is met betrekking tot de door hem verschafte gegevens, althans dat van de zijde van de belastingplichtige zelf niet kan worden gesproken van verwijtbare onzorgvuldigheid.’ Mijns inziens ziet dit punt veeleer op de basisaanname van goede trouw (zie paragraaf 4.2.3.5).
Hof Den Bosch 13 februari 2020, nr. 19/00393, V-N 2020/28,17, r.o. 4.7; Niessen 2012, par. 5.7.
Kenmerkend voor een toezegging is dat de inspecteur daarin een uiting doet en daarin een wetstoepassing toespitst op het specifieke feitencomplex van een belastingplichtige. De toezegging is dus ‘verpersoonlijkt’ en geconcretiseerd. Indien de gegevens op grond waarvan de toezegging incompleet of onjuist zijn, valt de basis aan de toezegging weg.1 Tegen deze achtergrond is het verklaarbaar dat de Hoge Raad van een burger verlangt de relevante en juiste gegevens te verstrekken (ook wel genoemd: ‘juiste voorinformatie’).2 Verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens aan de inspecteur staat dan ook in de weg aan een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel.3
Hoe vanzelfsprekend4 deze voorwaarde ook is, probleemloos is deze niet. Immers, hoe weet een burger welke gegevens relevant zijn bij zijn vraagstelling? Burgers kennen uiteraard hun eigen situatie, maar zij zullen lang niet altijd weten welke feitelijke aspecten daarvan (potentieel) juridisch relevant zijn voor de toepassing van fiscale wet- en regelgeving in hun geval.5 De vraag is mijns inziens dan ook welke ‘mededelingsplicht’ van de burger mag worden verwacht. Daarmee hangt onlosmakelijk samen de vraag welke ‘onderzoeksplicht’ (of zorgplicht) van de inspecteur mag worden verwacht om te zorgen dat hij beschikt over de juiste en relevante gegevens.
Visies in de literatuur
In de literatuur is men het erover eens dat het verstrekken relevante voorinformatie in principe niet alleen de verantwoordelijkheid is van de belastingplichtige, maar ook van de Belastingdienst. Over het kantelpunt denken auteurs verschillend. Happé bijvoorbeeld verwacht in beginsel geen eigen onderzoeksplicht van de inspecteur. Hij ziet daarop slechts een uitzondering als ‘de inspecteur in het licht van de toepasselijke regelgeving had horen te beseffen dat het door de belastingplichtige geschetste beeld van de bijzonderheden van het geval niet volledig kon zijn.’6 Daarbij geldt volgens Happé wel dat van de Belastingdienst een actievere opstelling mag worden verwacht bij niet-deskundige belastingplichtigen. Gribnau acht deskundigheid ook relevant en betoogt dat bij niet-deskundige belastingplichtigen de onderzoeksplicht van de inspecteur zwaarder moet wegen dan de mededelingsplicht van de belastingplichtige.7 Uit het betoog van Scheltens kan worden afgeleid dat hij verwacht dat de inspecteur doorvraagt.8 Als de inspecteur duidelijk en onomwonden antwoord geeft, terwijl de inspecteur naar sommige – wel van belang zijnde – omstandigheden niet heeft gevraagd, mag volgens Scheltens de burger erop vertrouwen dat de inspecteur naar alle voor het geval van belang zijnde omstandigheden heeft gevraagd. Dit ligt anders indien de burger het belang van de niet besproken omstandigheden had moeten kennen (bijv. als bewust gegevens worden achtergehouden).9 Menu legt de verantwoordelijkheid primair bij de overheid: volgens hem rust op de overheid, als deskundige partij, ‘in de regel een tamelijk vergaande onderzoeksplicht’.10 De overheid moet zich er daarom volgens hem voldoende rekenschap vangeven dat zij de juiste en volledige gegevens heeft die voor de toezegging relevant zijn.
De rechtspraak ten aanzien van de verantwoordelijkheid van de Belastingdienst en belastingplichtige is betrekkelijk schaars.11 Mijn indruk is dat de lijn van de rechter is dat de burger in beginsel verantwoordelijk wordt gehouden voor het verstrekken van juiste informatie aan de inspecteur,12 terwijl voor het verstrekken van relevante informatie onder omstandigheden mede van de Belastingdienst actie wordt verwacht.13
Bij vergelijking met de criteria bij (op verzoek verstrekte) inlichtingen valt op dat bij inlichtingen niet het criterium geldt dat relevante en juiste gegevens zijn verstrekt.14 Dat is mijns inziens goed te verklaren: inlichtingen hebben (anders dan toezeggingen) betrekking op wetsuitleg en wetstoepassing in abstracte situaties, terwijl toezeggingen zien op wetstoepassingen in geconcretiseerde situaties.15 Een dergelijke voorwaarde is vanwege de aard van voorlichting dan niet aan de orde, nu het juist niet om een specifieke situatie gaat.