Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.5.1
4.5.1 Definitie van een toezegging en standpuntbepaling
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661487:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Douma e.a. 2019, p. 286; Vakstudie Algemeen Deel, art. 11 AWR, aant. 1.11.41 (online, actueel t/m 28 januari 2022): ‘Het begrip 'toezegging' is in de rechtspraak niet helder gedefinieerd.’
HR 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311. Recenter HR 19 juni 2020, nr. 19/02177, BNB 2020/120.
BNB 2020/120, r.o. 2.3.1. Op inhoudelijke gevolgen voor toepassing van het vertrouwensbeginsel, zie paragraaf 4.5.2.
Zie ABRvS 29 mei 2019, nr. 201802496/1/A1, AB 2019/302; ABRvS 22 april 2020, nr. 201810119/1/R3, ABkort 2020/264, r.o. 4.3; en CRvB 7 april 2020, nr. 18/4272 PW, AB 2020/352, r.o. 4.1.
Vgl. in de context van beleidsregels HR 9 april 2020, nr. 19/03791, BNB 2021/95, r.o. 3.3: ‘uitlatingen van de zijde van de Belastingdienst of de voor die dienst verantwoordelijke bewindslieden’.
Vgl. HR 13 december 1989, nr. 25 077, BNB 1990/119; HR 21 juni 2019, nr. 18/04340, BNB 2019/126; Hof Den Bosch 8 mei 2008, nr. 06/00340 en 06/00343, NTFR 2008/1396, r.o. 4.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2014, nr. 13/01197, NTFR 2014/2291, r.o. 4.7; Hof Den Haag 4 maart 2008, nr. 07/00547, NTFR 2008/1583, V-N 2008/56.6, r.o. 6.7. Voor toezeggingen en standpuntbepalingen gelden dezelfde voorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, vgl. Douma e.a 2019, p. 287, Gorissen 2008, p. 86.
Douma e.a 2019, p. 287; NDFR deel Formeel belastingrecht, Vertrouwensbeginsel, par. 3.1.3.1.
Bijv. Hof Den Haag 8 maart 2019, nr. BK-18/01032, V-N 2019/29.16, r.o. 2.2 en 5.2.
Vgl. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 maart 2021, nr. 18/3542, V-N Vandaag 2021/1047, r.o. 2.13.
Vgl. in BNB 1979/311: ‘als toezeggingen op te vatten uitlatingen’; Scheltens in BNB 1990/148; HR 23 maart 2007, nr. 40.664, BNB 2007/169, r.o. 3.3; HR 7 december 2001, nr. 36.494, BNB 2002/44, r.o. 3.3; Hof Den Haag 4 maart 2008, nr. 07/00547, V-N 2008/56.6, r.o. 6.7; Hof Arnhem-Leeuwarden 22 januari 2019, nr. 18/00094, V-N 2019/22.15; Hof Den Haag 8 maart 2019, nr. 18/01032, V-N 2019/29.
Vgl. Conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, Bijlage 2, punt 2.8. Vgl. HR 27 juni 1984, nr. 22.555, BNB 1984/240, r.o. 4.2; BNB 2020/120, r.o. 2.3.1; HR 9 april 2020, nr. 19/03791, BNB 2021/95, r.o. 3.3. De bedoeling van de inspecteur is niet geheel irrelevant: als de belastingplichtige weet of behoort te begrijpen dat de mededeling van de inspecteur niet overeenstemt met het werkelijke standpunt van de inspecteur, is de inspecteur niet aan zijn toezegging gebonden, zie HR 18 april 1984, nr. 21 908, BNB 1984/197 (met tikfout: inspecteur schreef ‘nu’ in plaats van ‘niet’); Hof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2014, nr. 13/00689, NTFR 2014/1307.
Vgl. zie de verschuiving naar het burgerperspectief in de bestuursrechtelijke in ABRvS 29 mei 2019, 201802496/1/A1, AB 2019/302, r.o. 11.2 en 11.3; hierover Van Triet 2021; Van der Bogt in NTFR 2020/2033.
Bijv. Hof Den Bosch 13 februari 2020, nr. 19/00393, NTFR 2020/1531, V-N 2020/28,17 (toezegging door medewerker Belastingtelefoon), Hof ’s-Hertogenbosch 15 oktober 2010, nr. 09/00253, V-N 2011/16.22.2 (ter zitting gedane mondelinge toezegging).
Vgl. BNB 1979/311.
Zie paragraaf 4.3.1.1. Zie bijv. HR 25 april 2003, nr. 37977, V-N 2003/25.3, r.o. 4.13; Hof ’s-Gravenhage 4 maart 1991, nr. 2320/90, V-N 1991/2179, 6, r.o. 8; Hof Leeuwarden 7 februari 2012, nr. BK 10/00338, V-N 2012/21.28.1, r.o. 4.4; Hoge Raad 7 juli 2017, nr. 16/04904, NTFR 2017/1766.
In HR 18 september 2020, nr. 19/03974, V-N 2020/54.3, r.o. 2.5.2 overweegt Hoge Raad dat informatie op de website geen toezegging inhoudt waaraan belanghebbende enig vertrouwen zou kunnen ontlenen omtrent de behandeling van de tijdelijke verhuur van het tuinhuis. Zie ook Rechtbank Den Haag 16 september 2020, SGR 20/2516, V-N 2021/2.2.2, r.o. 10.
HR 23 juni 1982, nr. 21 172, BNB 1982/236; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 december 2018, nr. 17/1660, V-N 2019/26.19; Rechtbank Breda 17 juli 2012, nr. 12/2048, V-N 2012/56.4.
Bijv. Hof Den Bosch 13 februari 2020, nr. 19/00393, NTFR 2020/1531, V-N 2020/28,17, r.o. 4.9, volgens het Hof betekent het belang van de onbelemmerde uitvoering van de voorlichtende taak van de Belastingdienst niet ‘dat uitlatingen gedaan door medewerkers van de Belastingtelefoon nimmer als toezeggingen kunnen worden gekwalificeerd’. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 19 maart 2019, nr. 18/00270, V-N 2019/23.1.2 r.o. 4.4; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 maart 2014, nr. AWB-13_4870, V-N 2014/25.20.25, r.o. 2.14.
Hof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2008, nr. 07/00100, V-N 2009/7.36, r.o. 4.5 (standpuntbepaling van inspecteur met het oog op een investeringsbeslissing van een taxichauffeur); Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31 mei 2013, nr. AWB-12_1157, V-N 2013/42.18.10; HR 19 december 1990, nr. 25.957, BNB 1991/77.
Bijv. Rechtbank Noord-Holland 3 maart 2020, nr. 19/2313, V-N 2020/39.11; HR 14 juni 2000, nr. 35275, BNB 2000/330; Rechtbank Gelderland 28 oktober 2014, nr. 14/4311, NTFR 2014/2904.
Bijv. Hof Arnhem 2 februari 2010, nr. 08/00596, V-N 2010/35.3, r.o. 4.7-4.8. Ter bewijsvoering van de toezegging kunnen o.a. gespreksaantekeningen dienen, zoals een handgeschreven notitie in Hof Den Bosch 13 februari 2020, nr. 19/00393, V-N 2020/28,17, r.o. 4.7; overleggen van emails in Rechtbank Gelderland 1 december 2016, nr. 15/6831, V-N 2017/14.8, r.o. 10; geluidsopnames en schriftelijke uitwerkingen (zonder toestemming gemaakte audiotapes in Hof Arnhem-Leeuwarden 10 januari 2017, nr. 15/00182 en 15/00270, NTFR 2017/497, r.o. 4.8-4.9) en een bevestigingsbrief van de burger waarin hetgeen is besproken is neergelegd en waarop de inspecteur niet reageert (zie Hof Den Haag 08 maart 2019, nr. BK-18/01032, V-N 2019/29.16, r.o. 2.2 en 5.2). Zie ook Rechtbank Noord-Holland 12 november 2020, nr. AWB-20_432, r.o. 27-28.
Hof ’s-Hertogenbosch 13 februari 2020, nr. 19/00393, V-N 2020/28.17, r.o. 4.11.
Wat precies een toezegging is, is volgens de literatuur ‘niet erg duidelijk’.1 In het standaardarrest BNB 1979/311 beschrijft de Hoge Raad toezeggingen als uitlatingen van de zijde van de inspecteur, waaraan een belastingplichtige het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de inspecteur, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van het desbetreffende geval, aan de door hem in acht te nemen regels, voor zover omtrent de toepasselijkheid of de toepassing daarvan vragen zijn gerezen, in zijn geval een bepaalde toepassing zal geven.2
Het gaat dus om uitlatingen over de toepassing van de regels in een concreet geval. Dat betekent dat de specifieke omstandigheden van het geval aan de orde zijn geweest vóórdat de inspecteur zich heeft uitgesproken over een bepaalde toepassing van de fiscale regels in dat geval. Toezeggingen hebben daarmee een concreet karakter, zij zijn toegespitst op een specifiek feitencomplex.
Recenter geeft de Hoge Raad een vernieuwde formulering in zijn arrest van 19 juni, BNB 2020/120:
‘van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen’.3
Dit sluit, aldus de Hoge Raad, aan bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in BNB 1979/311. Vermoedelijk is de aanleiding voor de nieuwe formulering dat dit overeenstemt met de rechtspraak van de andere hoogste bestuursrechters.4 Inhoudelijk valt op dat het niet alleen om uitlatingen van de ‘inspecteur’ (Belastingdienst) gaat, maar van ‘de overheid’.5 Dat impliceert dat ook andere onderdelen van de overheid vertrouwenwekkende uitingen kunnen doen waaraan de Belastingdienst onder omstandigheden kan worden gebonden.
In de jurisprudentie wordt ook wel gesproken van een ‘bewuste’ of ‘weloverwogen standpuntbepaling’.6 Deze kwalificatie legt, zoals Douma e.a. terecht betogen, meer nadruk op de inhoud (een standpuntbepaling) dan op de vorm (toezegging).7 Een standpuntbepaling (althans de indruk daarvan) kan dus ook worden gemaakt op een andere wijze dan in de vorm van een toezegging (‘expliciete belofte’), bijvoorbeeld door stilzwijgend in te stemmen met een bepaalde handelswijze (impliciete gedraging8).
Typerend voor toezeggingen (etc.) is dat de inspecteur met het doen van een toezegging een standpunt wil innemen, waaraan hij zich wil binden (bindingsbedoeling).9 Echter, er geldt een belangrijke nuance. De Hoge Raad heeft bepaald dat voor de vraag of een sprake is van een standpuntbepaling of toezegging – niet beslissend is of de inspecteur een standpunt heeft willen innemen, maar of de burger de indruk mocht hebben dat de inspecteur een standpunt inneemt.10 Oftewel, niet het perspectief van de Belastingdienst en diens intentie (‘uitzendleer’) maar het perspectief van de burger en diens indruk (‘aankomstleer’) is leidend.11 Het ‘burgerperspectief’ krijgt aldus meer nadruk.12 Dat is een opvallend verschil met voorlichting, waarbij in de kwalificatie van de uiting de (veronderstelde) intentie van de Belastingdienst centraal staat (paragraaf 4.3.1).
Voor toezeggingen (etc.) gelden geen vormvoorschriften. Een toezegging kan schriftelijk maar ook mondeling worden gedaan.13 Een schriftelijke bevestiging van een mondelinge toezegging ligt volgens de Hoge Raad voor de hand, maar is niet vereist.14
De belastingrechter kijkt bij de kwalificatie naar de context van de uiting. Zo kwalificeert een uiting via de BelastingTelefoon15, op de website16 of tijdens hulp bij aangifte17 in de regel niet als toezegging (zie paragraaf 4.3.1), al zijn er ook uitzonderingen.18 Daarentegen kan bijvoorbeeld juist een uiting in telefonisch contact met de ‘eigen’ inspecteur19 of in de vorm van een brief van de inspecteur in de regel wel een toezegging bevatten.20
Voor wat betreft de bewijslast geldt dat de belastingplichtige de bewijslast draagt dat er een toezegging is gedaan, evenals wat de inhoud is van die toezegging.21 Bij mondelinge uitingen is er een groter bewijsrisico dan bij schriftelijke uitingen.22
Het onderscheid tussen toezeggingen en standpuntbepalingen enerzijds en algemene voorlichting en inlichtingen anderzijds is niet altijd scherp, terwijl hun gevolgen sterk verschillen (paragraaf 4.6).