Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/Samenvatting:Beknopte samenvatting
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/Samenvatting
Beknopte samenvatting
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85586:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onze jaarrekeningwetgeving kent onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid dat een rechtspersoon voor de inrichting van zijn jaarrekening afwijkt van hetgeen zonder de vervulling van die voorwaarden geldt. Als de voorwaarden zijn vervuld is er tevens vrijstelling van accountantscontrole en van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening bij het handelsregister. Deze mogelijkheid is gebaseerd op een in de Europese jaarrekeningrichtlijn opgenomen bevoegdheid van de lidstaten om een dergelijke vrijstelling voor dochterondernemingen in de nationale wetgeving op te nemen. Buiten Nederland hebben slechts drie lidstaten van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Het gaat hierbij om Luxemburg die de regeling uit de richtlijn nauwkeurig heeft overgenomen, om Ierland die de regeling met name voor dochterondernemingen die private company zijn, heeft overgenomen waarbij de vrijstelling evenwel is beperkt tot vrijstelling van openbaarmaking van de jaarrekening, en om Duitsland die de regeling, weliswaar niet terstond, maar wel later heeft overgenomen voor dochterondernemingen die kapitaalvennootschappen zijn. Tot de in acht te nemen voorwaarden behoren onder meer dat de moederonderneming de financiële gegevens van de dochteronderneming in haar geconsolideerde jaarrekening op geconsolideerde wijze heeft verwerkt en dat zij zich garant heeft gesteld voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen.
Onze wetgever heeft de voorwaarden die voor de regeling in acht moeten worden genomen, op eigen wijze verwerkt in onze wetgeving (art. 2:403 BW) waardoor deze regeling minder gelijkt op de unitaire regeling en de regelingen in de drie andere lidstaten. Het afwijkende karakter blijkt onder meer uit door het niet geheel overnemen van de voorgeschreven voorwaarden, door het vervangen van de moeder-/dochterband door een groepsband, door niet geheel richtlijnconforme bepalingen betreffende de consolidatieplicht en -kring, door de garantie voor door de dochteronderneming aangegane verplichtingen te vervangen door een garantie voor schulden uit door de tot een groep behorende rechtspersoon aangegane rechtshandelingen en door het creëren van een mogelijkheid om de gegeven garantie te doen beëindigen. Anders dan in de drie andere lidstaten met een vrijstellingsregeling heeft onze wetgever voor een verzwaarde vorm van een garantie gekozen door te verlangen dat de consoliderende maatschappij verklaard moet hebben zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit de rechtshandelingen van de vrijgestelde/vrij te stellen rechtspersoon voortvloeiende schulden. Deze aansprakelijkheid gaat verder dan alleen verhaalsaansprakelijkheid doordat een dergelijke verklaring ook meebrengt dat deze maatschappij zich hoofdelijk verbindt voor de nakoming van hetgeen waartoe de rechtspersoon gehouden is. Deze verklaring heeft betrekking op de schulden van deze rechtspersoon ongeacht wie de rechthebbenden op deze vorderingen zijn. De hoofdelijke verbondenheid met aansprakelijkheid treedt in zodra uit een rechtshandeling van de rechtspersoon een vordering ontstaat. Vanaf dat moment kan een rechthebbende zich – met inachtneming van de overeengekomen condities met de rechtspersoon – voor voldoening tot de rechtspersoon en/of de aansprakelijke maatschappij wenden; de keuze is aan de rechthebbende. Ook wordt wel het standpunt ingenomen dat zolang de rechthebbende zich niet tot deze maatschappij voor voldoening heeft gewend, van een vordering op haar nog geen sprake is. De rechtsgevolgen van het verschil in benaderingen zijn niet groot.
In mijn onderzoek ben ik nagegaan wat de onvolkomenheden zijn in de huidige regeling en op welke wijze deze regeling meer in de pas zou kunnen lopen met de regeling in de Europese jaarrekeningrichtlijn en meer vergelijkbaar zou kunnen zijn met die in de drie andere lidstaten met een vrijstellingsregeling. In dat kader heb ik onderzocht welke inhoud de aansprakelijkstelling van de consoliderende maatschappij voor een rechtsgeldig gebruik van de jaarrekeningvrijstelling moet hebben, welke rechten een schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon aan de aansprakelijkstelling kan ontlenen en op welke wijze de positie van de schuldeisers, werknemers en aandeelhouders van de aansprakelijke maatschappij kan worden verbeterd. De uitkomsten van mijn onderzoek heb ik laten uitmonden in voorstellen tot wetswijziging die ik heb weergegeven in paragraaf 10.3. Daarin heb ik het waarborgkarakter van de aansprakelijkstelling tot uiting laten komen door hieraan een subsidiair karakter te geven in die zin dat schuldeisers zich voor voldoening eerst moeten wenden tot de rechtspersoon en tevens door daarin op te nemen inspraak voor aandeelhouders en werknemers van de consoliderende maatschappij alvorens zij tot aansprakelijkstelling kan overgaan.