Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/5.3.1
5.3.1 Van rechtswege vervangende aanspraken
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624008:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie conclusie A-G Hartkamp bij HR 5 oktober 1990, NJ 1992, 226 (Breda/Antonius), onder 6; Zwitser 1996, p. 87. Zie ook Meijers 1948, p. 296; Suijling 1940, p. 84: 'Het zakenrecht is dwingend recht, voor zoover niet uitdrukkelijk of stilzwijgend het gezag van den partijwil erkend wordt.'
Zie met verwijzing naar overige literatuur: Bartels 2007, p. 6-8.
Vgl. Perrick 2008, onder 5.1 en 10. Hij maakt een onderscheid tussen verkrijging bij oneigenlijke zaaksvervanging en eigenlijke zaaksvervanging. In het tweede geval hoeven de goederenrechtelijke regels met betrekking tot rechtsverkrijging niet te worden nageleefd, in het eerste geval wel. Zie hierover verder par. 5.4.
Zie ook Perrick 2008, onder 9, met betrekking tot zaaksvervanging bij het fideicommis: 'Ik zou onder het nieuwe erfrecht niet willen aannemen dat de bezwaarde zaaksvervanging kan voorkomen door bij de verkrijging van het registergoed duidelijk kenbaar te maken dat hij een onvoorwaardelijk recht op het goed wenst te verkrijgen'; Sagaert 2003, p. 607. Vgl. Struycken 2007, p. 775.
Vgl. Sagaert 2003, p. 79-80, die afstand bij voorbaat in bepaalde gevallen afwijst.
163.
Zoals bij de behandeling van de ratio al naar voren is gekomen, is zaaksvervanging een instrument dat de wetgever ter beschikking staat om de rechthebbende wiens recht door oorzaken buiten zijn invloed onder druk komt te staan, te beschermen. Het is daarom van belang dat de geboden bescherming optreedt zonder dat hieraan nadere eisen worden gesteld die handelingen van betrokkenen vereisen. Een effectieve bescherming tegen aantastingen buiten de invloedssfeer van de rechthebbenden vereist middelen die ook zonder invloed of handelingen van de betrokkenen werken. Daarom vloeit uit de ratio van zaaksvervanging voort dat vervangende aanspraken van rechtswege ontstaan. Dit sluit aan bij het beeld dat uit het tweede hoofdstuk naar voren komt, namelijk dat zaaksvervanging steeds van rechtswege optreedt. Het roept echter de vraag op in hoeverre het betrokkenen vrijstaat afspraken te maken die de reikwijdte van zaaksvervanging verruimen of beperken.
In het vierde hoofdstuk ben ik tot de slotsom gekomen dat zaaksvervanging een originaire wijze van verkrijging inhoudt. Veel bepalingen die zien op originaire eigendomsverkrijging zijn van dwingend recht.1 Algemeen wordt aangenomen dat het bijvoorbeeld partijen niet vrij staat zelf te bepalen wie optreedt als zaaksvormer in de zin van art. 5:16 lid 2 BW, maar dat de wettelijke maatstaven en feitelijke omstandigheden dwingend zijn.2 Wanneer bij deze opvatting wordt aangesloten voor de toepassing van zaaksvervanging, betekent dit dat ook hierbij sprake is van dwingend recht. Dit versterkt de bescherming die geboden wordt en sluit zo aan bij de ratio, nu zaaksvervanging optreedt zonder dat een handeling van partijen eraan te pas komt, bijvoorbeeld in de vorm van een geregistreerde onderhandse akte voor een vervangend stil pandrecht op een vordering op naam op (zie art. 3:239 lid 1 BW)3 en zonder dat de wil van partijen hierop van invloed is of zij beschikkingsbevoegd moeten zijn.
Een uitzondering op het volledig van rechtswege ontstaan van vervangende rechten maakt art. 455a Rv, nu voor vervangend beslag betekening is vereist.4 Overwogen kan worden om het beslag hier wel direct te laten ontstaan, maar aan de uitoefening van de rechten die hieraan verbonden zijn, de voorwaarde van betekening te verbinden. Zo kan enerzijds worden bereikt dat, anders dan in de huidige constructie, geen sprake is van een herleving van rechten die reeds teniet zijn gegaan en anderzijds dat de schuldenaar van de aldus beslagen vordering tot de betekening bevrijdend aan zijn schuldeiser kan betalen. Een overeenkomstige uitleg van de huidige wettelijke bepaling lijkt mogelijk, nu het voorliggende geval voldoet aan alle eisen die in het derde hoofdstuk aan zaaksvervanging worden gesteld en de wetgever zich heeft uitgesproken voor bescherming van de beslaglegger door middel van zaaksvervanging.
Partijen kunnen zaaksvervanging niet voorkomen, nu de werking hiervan niet afhankelijk is van hun wil.5 Zij kunnen in beginsel echter, eventueel bij voorbaat, afstand doen van de rechten die zij daardoor verkrijgen.6 Daarnaast kan de wetgever voor een afwijkende regeling kiezen waardoor partijen het intreden van zaaksvervanging volledig kunnen verhinderen, zoals is geschied in art. 5:76 lid 3 BW. Een dergelijke afwijking van de hoofdregel dat zaaksvervanging optreedt ongeacht de wil van betrokkenen, vereist een uitdrukkelijke wettelijke bepaling.