Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/8.7.3
8.7.3 Kritiek Duitse literatuur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS357098:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
J. Bauer 2009, p. 23; Berkowsky 2009, § 126 Rn. 4; Buchner 2002, p. 534.
Schiefer 2002, p. 770 en 777; Fischer 2002.
Rüthers 2006, p. 1640; Preis & Bender 2005, p. 1323; Preis 2003, p. 65; J.H. Bauer 2002, p. 529; Buchner 2002, p. 534; Rüthers 2002, p. 1601-1602; H.J. Willemsen 2000, p. 2779; Neef 2000, p. 9; Rüthers 1998, p. 1433.
Vgl. Schiefer 2002, p. 770.
Vgl. H.J. Willemsen 2000, p. 2782.
Boecken & Topf 2004, p. 22; Löwisch 2003, p. 690; Bruening 2003, p. 15; Wank 2003, p. 6-7; J.H. Bauer 2002, p. 529; Schiefer 2002, p. 771; Buchner 2002, p. 534.
J. Bauer 2009, p. 23.
Rüthers 2006, p. 1640; Boecken &Topf 2004, p. 22; Schiefer 2002, p. 777; H.J. Willemsen 2000, p. 2782.
J.H. Bauer 2002, p. 529. Vgl. ook H.J. Willemsen 2000, p. 2782.
Berkowsky 2009, § 126 Rn. 4; H.J. Willemsen 2000, p. 2780 en 2783.
Vgl. H.J. Willemsen 2000, p. 2782.
De Duitse literatuur is kritisch over het ontslagstelsel. Duidelijk komt naar voren dat het ontslagsysteem op het punt van het snel bieden van rechtszekerheid niet voldoet. Men meent dat ondanks de in het verleden door de Duitse wetgever ondernomen pogingen om de afwikkeling van het Kündigungsschutzprozess te versnellen en rechtszekerder te maken, de procedures nog steeds onredelijk lange periodes van onzekerheid over het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst met zich brengen.1 Het Kündigungsrecht werkt om die reden praktisch gezien niet en wordt als irrationeel beschouwd.2 Er heerst voor partijen een grote mate van rechtsonzekerheid, mede vanwege de vele vage normen en de bij iedere opzegging noodzakelijke belangenafweging, waardoor de uitkomst van een Kündigungsschutzprozess moeilijk te voorspellen is.3 Voornamelijk voor de werkgever wordt dit als problematisch ervaren. Hij moet er rekening mee houden dat een werknemer een Kündigungsschutzprozess start – in paragraaf 8.6.1 zagen we dat dit veelvuldig voorkomt4 – en dat mogelijk na drie instanties wordt vastgesteld dat de opzegging sociaal onrechtvaardig en daarmee nietig is. Dit brengt voor de werkgever het aanzienlijke risico mee met terugwerkende kracht over een periode van twee, drie of zelfs vijf jaar5 het loon aan de werknemer te moeten betalen en de werknemer weder tewerk te stellen.6 Het maken van een personeelsplanning is door deze onzekerheid lastig voor de werkgever.7 Dit maakt een Kündigungsschutzprozess, in het bijzonder voor kleinere en middelgrote bedrijven, zeer belastend en in het ergste geval zelfs bedreigend voor het voortbestaan van de onderneming.8 Het is dan ook niet voor niets dat men spreekt over het Schreckgespenst (schrikbeeld) van het Kündigungsschutzprozess.9 Het wordt als een probleem ervaren dat het Duitse ontslagsysteem geen snelle en zekere mogelijkheid biedt voor het eenzijdig beëindigen van de arbeidsovereenkomst, eventueel onder toekenning van een vergoeding.10
De relatief korte beroepstermijn van § 4 KSchG helpt op dit punt niet verder. Deze korte termijn is slechts in staat snel duidelijkheid te verschaffen aan de werkgever over de vraag of de werknemer de opzegging accepteert of niet. Start de werknemer echter binnen de beroepstermijn een Kündigungsschutzprozess dan bestaat gedurende geruime tijd onzekerheid over de vraag of de opzegging geldig was of niet.11