Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/7.3.2
7.3.2 Doctrine over de verhouding tussen de rechtsprekende macht en de uitvoerende macht
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS499834:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Witteveen 1991; Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, De toekomst van de nationale rechtsstaat, Den Haag 2002, p. 174; H. Gommer, ‘De mythe van de trias’, AA 2007, p. 21-27.
Kamerstukken II 2000/01, 27 182, nr. 6, p. 13-14.
Zie § 7.2.1, Kamerstukken II 1980/81, 16 035, nr. 8, p. 4 (opmerking grondwetgever 1983).
Bovend’Eert 2004, p. 252.
Bovend’Eert 2004, p. 253. Hij beschrijft drie voorbeeldsituaties die z.i. afbreuk doen aan een evenwichtige scheiding van staatsmachten: een monistische verhouding tussen regering en parlement, het wettelijke toezichtsmechanisme (bevoegdheden van de Minister van Justitie) ten aanzien van de organisatie van de rechtspraak en de taak van de rechter bij toetsing van zuiver politieke besluitvorming (‘political questions’).
P.P.T. Bovend’Eert, Benoeming en ontslag van rechters, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 12.
Zie § 7.2.1.
Hierna spreek ik gemakshalve kortweg over het commentaar van de Hoge Raad, of van Martens en Ten Kate. Na het aantreden van Haak als president van de Hoge Raad in april 2000: Haak en Ten Kate.
Briefwisseling gepubliceerd in NJB 2000, p. 1615-1629. De paragrafen uit de brieven van de bewindslieden heb ik zelf genummerd voor verwijzing.
Brief van de Hoge Raad 27 oktober 1999, § 10; Kamerstukken II 1999/00, 27 182, nr. 3, p. 8.
Brief van de bewindslieden 12 november 1999, § 4; Kamerstukken II 2000/01, 27 182, nr. 6, p. 14.
Rapport van de Adviescommissie toerusting en organisatie zittende magistratuur (commissie-Leemhuis), Rechtspraak bij de tijd, 21 januari 1998, p. 25 (§ 4.2.1).
Rapport commissie-Leemhuis 1998, p. 9-10 (§ 2.2); brief van 12 november 1999, § 4.
Brief van 27 oktober 1999, § 13.
Commissie evaluatie modernisering rechterlijke organisatie (commissie-Deetman), Rechtspraak is kwaliteit, Den Haag 2006. Zie ook § 5.12 (hfdst. 5)
Aanbiedingsbrief aan de Minister van Justitie bij het rapport van de commissie-Deetman, 11 december 2006.
M. Boone, P.M. Langbroek e.a., Financieren en verantwoorden. Het functioneren van de rechterlijke organisatie in beeld, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, p. 226 en 231 (dit onderzoek maakte ook deel uit van het onderzoeksprogramma t.b.v. de commissie-Deetman onder de titel Het functioneren van de rechterlijke organisatie in beeld, Breedtestudie evaluatie Wet organisatie en bestuur gerechten en Wet Raad voor de rechtspraak; KPMG Business Advisory Services B.V. i.s.m. Universiteit Utrecht – Faculteit der Rechtsgeleerdheid in opdracht van het WODC, Utrecht/Den Haag/Amstelveen 2006); zie ook Bovend’Eert 2008, p. 235.
Ph.M. Langbroek, ‘Bekostiging van de rechterlijke organisatie’, NJB 2007, p. 161.
In de laatste decennia is in de literatuur over machtenscheiding in toenemende mate het belang van checks and balances benadrukt. ‘Machtenscheiding’ werd ‘machtsevenwicht’.1 Wat is er nog over van het beginsel van machtenscheiding in de moderne rechtsstaat? In de toelichting op het wetsvoorstel tot instelling van de Raad voor de Rechtspraak geeft de regering de volgende analyse van het concept machtenscheiding:
‘In een democratische rechtsstaat is sprake van machtsverdeling tussen de hoogste staatsorganen. Deze is gebaseerd op het oorspronkelijk door Montesquieu ontwikkelde principe van machtenscheiding: de drie basistaken van de staat (wetgeving, uitvoering en rechtspraak) dienen niet in een hand te liggen, maar te worden gespreid over verschillende staatsorganen die elkaar in evenwicht houden. Volgens dit stramien kunnen in een staatsverband de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht worden onderscheiden (trias politica). In werkelijkheid is in het Nederlandse staatsbestel van een strikte machtenscheiding nooit sprake geweest. Veeleer heeft de eis van machtsverdeling gestalte gekregen in een ingewikkeld stelsel van elkaar wederzijds controlerende, in evenwicht houdende instanties (checks and balances).’2
Ter nadere uitwerking van de stelling dat van volstrekte machtenscheiding in Nederland nooit sprake is geweest, merkt de regering op:
‘Het verschijnsel dat de respectieve machten (…) nu en dan geroepen zijn tot het stellen van daden op het terrein van de andere machten onderstreept naar het oordeel van de regering eens te meer dat in onze democratische rechtsstaat tussen de drie staatsmachten (…) niet een scheiding, maar een stelsel van ‘checks and balances’ bestaat, waarin elk zijn taak heeft.’3
Op zichzelf is deze weergave van het beginsel van machtenscheiding als machtsevenwicht vandaag de dag breed geaccepteerd. Maar het is tekenend dat de regering in een wetsvoorstel dat betrekking heeft op de positie van de rechtsprekende macht ten opzichte van de uitvoerende macht die checks and balances benadrukt, terwijl het onomstreden is dat juist ten aanzien van de rechtspraak het theoretische beginsel van machtenscheiding wel grotendeels in de praktijk is gerealiseerd.4 Overigens verwijst het verschijnsel dat de staatsmachten soms daden verrichten op het terrein van de andere machten – zoals de genoemde voorbeelden van benoeming van een voogd, bewindvoerder of curator door de rechter, wat in feite daden van bestuur zijn – mijns inziens niet altijd naar checks en balances. In het voorbeeld gaat het immers niet om samenwerking tussen staatsmachten of controle van de ene macht op de andere macht. Ook Bovend’Eert heeft er op gewezen dat het eenzijdig benadrukken van het belang van checks and balances in de verhouding tussen de staatsmachten in de geciteerde passages opvalt. Door te stellen dat er geen scheiding bestaat tussen de staatsmachten, maar slechts een systeem van ‘checks and balances’ doet de regering volgens hem geen recht aan het rechtsbeginsel van de machtenscheiding in het Nederlandse constitutionele recht.5 Men moet eerst de machten scheiden en zich vervolgens pas afvragen in hoeverre checks en balances vereist – of gewenst – zijn, aldus Bovend’Eert. Hij wijst er mijns inziens terecht op dat controlemechanismen niet alleen kunnen bijdragen aan, maar evengoed afbreuk doen aan het evenwicht tussen de machten.6 Machtenscheiding veronderstelt ten principale dat de drie staatsmachten een zelfstandige en onafhankelijke positie innemen. Zoals gezegd, geldt dat in het bijzonder voor de staatsrechtelijke positie van de rechtsprekende macht: ‘Voor de rechterlijke macht geldt een verhoudingsgewijs strikte scheiding ten opzichte van beide andere staatsmachten. Ter zake van rechtspraak kan geen sprake zijn van gedeelde bevoegdheden of controlebevoegdheden voor het bestuur of de wetgever.’7 Die staatsrechtelijke positie van de rechtsprekende macht wordt bepaald door de eis van onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak, die niet alleen voortvloeit uit het algemene beginsel van machtenscheiding, maar in het bijzonder is verankerd in het positieve recht (art. 6 EVRM en diverse grondwettelijke bepalingen).8 Het Comité van Ministers van de Raad van Europa heeft bovendien in de toelichting op aanbeveling R (94) 12 in § 12 gesteld dat: ‘the scope of the concept of ‚independence of judges‛ is not confined to judges themselves but covers the judicial system as a whole.’
Naar aanleiding van de voorontwerpen van de Wobg en Wrvr heeft een felle discussie plaats gevonden tussen de president van en P-G bij de Hoge Raad (Martens en Ten Kate)9 enerzijds en de bewindslieden van Justitie anderzijds over een aantal constitutionele uitgangspunten.10 Zij waren het er over eens dat bij de inrichting van de nieuwe rechterlijke organisatie ‘vanuit het perspectief van de machtenscheiding een principiële benadering [is] vereist, waarin de in het geding zijnde constitutioneelrechtelijke beginselen op adequate wijze in de overwegingen worden betrokken.’11 Maar de regering en de Hoge Raad gaven een andere invulling aan de machtenscheiding in het huidige tijdsgewricht, met als gevolg verschillende conclusies over de (gewenste) verhouding van de rechtsprekende macht tot de uitvoerende macht.
Aanleiding voor de reorganisatie was de dringende behoefte aan een versterking van de rechterlijke organisatie in organisatorische zin.12 In dat verband zijn ook de termen ‘organisatorische emancipatie’ en ‘ontvoogding’ van de rechtsprekende macht gebezigd (respectievelijk door de commissie-Leemhuis en de Hoge Raad). Onder de oude wet RO was ‘de’ rechterlijke organisatie niet meer dan een losse verzameling van gerechten. Binnen die losse structuur was het niet goed mogelijk om als eenheid te opereren in gerechtsoverstijgende zaken van organisatorische aard. De commissie-Leemhuis was van mening dat oprichting van een landelijk orgaan (Raad voor de rechtspraak) passend zou zijn in het licht van het noodzakelijke evenwicht tussen de drie staatsmachten. De derde staatsmacht (de rechtspraak) zou hiermee reëel in staat gesteld worden als organisatie het nodige tegenwicht te bieden aan de twee andere staatsmachten (de wetgever en het bestuur).13 De commissie sprak in dat verband over versterking van de constitutionele onafhankelijkheid (door de bewindspersonen aangeduid als ‘institutionele onafhankelijkheid’).14 Maar omdat de rechterlijke organisatie ook geen staat binnen de staat mocht worden, onderstreepte zij naast de rechterlijke onafhankelijkheid tevens het belang van andere constitutionele principes, zoals de ministeriële verantwoordelijkheid, de positie van de formele wetgever, controle en het budgetrecht van het parlement (inzake de rechterlijke organisatie). De bewindslieden en de Hoge Raad bogen zich over de vraag waar een verantwoorde balans tussen al deze beginselen ligt. Uit het volgende citaat blijkt welke positie Martens en Ten Kate innemen. Het vormt mijns inziens de kern van hun betoog:
‘Het stelsel [van checks and balances binnen het samenwerkingsverband] berust op afweging, op het zoeken van het juiste evenwicht tussen de drie machten. Dat evenwicht moet elk tijdperk opnieuw vinden. De verhoudingen tussen de drie kunnen immers veranderen. In ons tijdperk is dat het geval. De taak van de rechtsprekende macht binnen het samenwerkingsverband en daarmee haar positie ten opzichte van de twee andere staatsmachten zijn in de laatste halve eeuw essentieel veranderd. Tot de taak van de rechtsprekende macht is gaan behoren het uitoefenen van een effectieve rechtmatigheidscontrole op het doen en laten van de beide andere staatsmachten. Daarmede is onverenigbaar een controlerecht van deze beide op het doen en laten van de rechtsprekende macht. Integendeel, juist daarom behoren beide andere staatsmachten (…) zelfs elke schijn van indirect beïnvloeden van de rechtsprekende macht te vermijden. Hier ligt tevens de rechtvaardiging van de rechterlijke onafhankelijkheid en van de door de wetsvoorstellen terecht tot uitgangspunt genomen opvatting dat rechterlijke onafhankelijkheid niet enkel toekomt aan de individuele rechter, maar ook aan de gerechten en aan de rechtsprekende macht als geheel.‘15
De Hoge Raad is dus van mening dat het evenwicht tussen de staatsmachten als gevolg van de ontwikkeling van bestuursrechtspraak (rechtmatigheidscontrole) moet worden bijgesteld in de richting van een zelfstandiger rechtsprekende macht (als geheel). Ook de regering staat in theorie een zelfstandiger rechterlijke macht voor ogen, maar creëert meer checks en balances in de wetgeving dan de Hoge Raad aanvaardbaar acht. Die checks en balances moeten volgens de regering vorm krijgen in bepaalde bevoegdheden ‘om de ministeriële verantwoordelijkheid te kunnen dragen’. In de volgende paragraaf ga ik nader in op het aspect van ministeriële verantwoordelijkheid. Meer zeggenschap voor de uitvoerende macht ten aanzien van de rechterlijke macht is tot op zekere hoogte een beleidskwestie. Maar de beleidsruimte eindigt bij de juridische grenzen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht, die voortvloeien uit de Grondwet en internationale regelgeving.
Heeft de theorie van een zelfstandige rechterlijke macht in de praktijk gestalte gekregen? De Commissie evaluatie modernisering rechterlijke organisatie (commissie-Deetman) heeft de principiële staatsrechtelijke discussie over de verhouding van de rechtsprekende macht tot de uitvoerende macht laten rusten en vooral gekeken naar het feitelijk functioneren van de nieuwe organisatie in de praktijk.16 Daar waar tekortkomingen zijn te signaleren, vloeien die volgens de commissie-Deetman veelal niet zozeer voort uit de huidige wettelijke verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, als wel uit de wijze waarop die door de betrokken partijen worden ingevuld. Vijf jaar is volgens haar echter te kort voor een oordeel over de effecten van een dergelijke omvangrijke stelselwijziging. Zij beveelt aan om vijf jaar later een nieuwe externe evaluatie te laten plaatsvinden om de meer structurele effecten te kunnen waarderen.17 Anderen zijn scherper in hun oordeel. Boone e.a. concluderen dat de Minister van Justitie op systeemniveau veel meer sturingsmogelijkheden heeft dan voor de invoering van de nieuwe wetgeving het geval was. En waar de Raad als buffer bedoeld was tussen ministerie en gerechten wordt hij in de praktijk nogal eens als verlengstuk van het ministerie gezien.18 Langbroek heeft de positie van de Raad voor de rechtspraak bestempeld als – het-mag-niet-zo-genoemd-worden – Zbo en beveelt aan om er een Hoog College van Staat van te maken.19
Om te kunnen spreken van een zelfstandige rechterlijke organisatie die op gelijke voet staat met de andere staatsmachten, moet dat mijns inziens ook tot uiting komen in een zelfstandige werkwijze van de gerechten. Die werkwijze wordt in grote mate bepaald door de bedrijfsvoering van een gerecht. Doordat echter met name op het punt van de bedrijfsvoering in de Wet RO sinds 2002 te eenzijdig de nadruk is gelegd op checks and balances, raakt het beginsel van de machtenscheiding in het algemeen en de rechterlijke onafhankelijkheid in het bijzonder ondergesneeuwd. De doelstelling van een zelfstandige positie van de rechterlijke macht is daardoor maar ten dele bereikt. Een volgende evaluatie van de wetgeving biedt gelegenheid om verder te werken aan realisering van dat doel. Daarbij moet aanpassing van de wettelijke structuur van de rechterlijke organisatie niet uit beeld blijven.