Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/7.3.1
7.3.1 Inleiding
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS497353:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. themanummer ‘De rechter als wetgever’, Regelmaat 2010, nr. 1; P.P.T. Bovend’Eert, ‘Wetgever, rechter en rechtsvorming. Partners in the business of law?’, RM Themis 2009, p. 145-153; W.M.T. Keukens & M.C.A. Nieuwenhuijzen, Raad en Daad. Over de Rechtsvormende taak van de Hoge Raad, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2008; F.T. Groenewegen, Wetsinterpretatie en Rechtsvorming (diss. UvA), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006; J.B.M. Vranken, Mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht. Algemeen deel. Een vervolg, Deventer: Kluwer 2005; S.K. Martens, ‘De grenzen van de rechtsvormende taak van de rechter’, NJB 2000, p. 747 e.v.; G.J. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, bew. door T. Koopmans, Deventer 1999.
Zie m.n. het rapport van de werkgroep Van Kemenade, Bestuur in geding, 1997 en de kabinetsnotitie Juridisering in het openbaar bestuur, 1998.
Commentaar president en P-G Hoge Raad (S.K. Martens en Th.B. ten Kate) op de conceptwetsvoorstellen Wobg en Wrvr, 27 oktober 1999; reactie van de minister en staatssecretaris van Justitie, 12 november 1999; reactie president en P-G Hoge Raad op het antwoord van de bewindslieden, 22 november 1999; reactie van de bewindslieden, 7 december 1999. Deze briefwisseling is gepubliceerd in NJB 2000, p. 1615-1629.
Kamerstukken II 1999/00, 27 182, nr. 3, p. 8-11 en Kamerstukken II 2000/01, 27 182, nr. 6, p. 9-16 (§ 2.2 Verhouding tussen de staatsmachten).
Welke positie behoort de rechtsprekende macht in te nemen ten opzichte van de twee andere staatsmachten volgens de doctrine? In deze paragraaf behandel ik die vraag aan de hand van een aantal actuele thema’s die verband houden met de rechterlijke onafhankelijkheid, of daar door diverse auteurs mee in verband worden gebracht.
Algemene beschouwingen in de doctrine over het beginsel van de machtenscheiding gaan meestal over de relatie tussen wetgever en bestuur (dualisme) of tussen wetgever en rechter (de grens van de rechtsvormende taak van de rechter),1 maar minder vaak over de relatie tussen bestuur en rechter. Waar dat wel het geval is, betreft het vaker het thema juridisering2 – te veel invloed van de rechter op het bestuur (en de samenleving) – dan de omgekeerde situatie van te veel invloed van het bestuur op de rechter, terwijl dat laatste voor dit onderzoek naar de rechterlijke onafhankelijkheid het meest interessant is. De aandacht voor de relatie tussen de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht is flink toegenomen naar aanleiding van de herziening van de rechterlijke organisatie in 2002. Het uitgangspunt van die herziening was het versterken van de rechterlijke organisatie in organisatorische zin (in relatie tot de uitvoerende macht), voornamelijk op het terrein van de bedrijfsvoering. De wetsvoorstellen tot instelling van de Raad voor de Rechtspraak (Wrvr) en tot herziening van de organisatie van de gerechten (Wobg) moesten dat realiseren. Het is de vraag in hoeverre de rechtsprekende macht zich sinds 1 januari 2002 heeft ontwikkeld als zelfstandige macht, die op gelijke voet staat met de wetgevende en de uitvoerende macht. Interessant in dit opzicht zijn de uitvoerige beschouwingen van de president van en P-G bij de Hoge Raad over machtenscheiding en de positie van de rechterlijke macht in de staat in reactie op die conceptwetsvoorstellen.3 Ook de regering heeft in de toelichting op deze wetgeving een uiteenzetting gegeven over het beginsel van de machtenscheiding in de Nederlandse rechtsorde.4 In § 7.3.2 bespreek ik deze discussie over de verhouding tussen de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht. In dit verband rijst tevens de vraag hoe ver de ministeriële verantwoordelijkheid voor de rechtspleging reikt (§ 7.3.3).
Een ander thema, dat de laatste jaren veel aandacht in de media trekt, is commentaar van politici op (lopende) rechtszaken. Parlementsleden en bestuurders lijken zich in toenemende mate kritisch uit te laten over rechterlijke uitspraken of zaken die nog onder de rechter zijn. In de inleiding van dit onderzoek is al de vraag opgeworpen in hoeverre dat in strijd is met de rechterlijke onafhankelijkheid. Voor de beantwoording van deze vraag gelden geen specifieke wettelijke regels, maar het beginsel van de machtenscheiding geeft wel enkele aanknopingspunten (§ 7.3.4). Tot slot bezie ik in welk opzicht niet-rechtsprekende activiteiten van rechters zijn positie in de rechtsstaat beïnvloeden (§ 7.3.5).