Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/7.3.4
7.3.4 Uitlatingen van politici over (aanhangige) rechtszaken
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS496156:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie Davids 2006, p. 14.
Kummeling 2007, p. 73 en de voorbeelden in voetnoot 23: Handelingen II 1968/69, p. 3325-3328; Handelingen II 1975/76, p 4335: Op het verzoek van Kamerlid Drees om een interpellatie te mogen houden over de bezetting van de Bloemenhove-kliniek reageerde de Voorzitter: ‘Ten aanzien van de interpellatie-aanvrage van de heer Drees deel ik aan de Kamer mede, dat mij van enkele kanten is gezegd – onderhands – dat inwilliging van het verzoek op gespannen voet zou lijken te kunnen staan met de regel dat de Kamer niet beraadslaagt over een zaak die onder de rechter is, om ook maar de schijn te vermijden dat de Kamer een uitspraak van de onafhankelijke rechter zou willen beïnvloeden’; Handelingen II 1998/99, p. 3227, en Handelingen II 2003/04, p. 652. Zie ook H.M. Franssen & J.A. van Schagen, Over de orde, mijnheer de voorzitter, Den Haag: SDU Uitgeverij 1990, p. 160-161.
Kamerstukken I 2006-2007, 30 415 F, p. 2 (Nadere Memorie van Antwoord 12 juli 2007 bij het initiatiefwetsvoorstel voor een nieuwe Wet op de Parlementaire Enquête).
Toenmalig LPF-Kamerlid Hoogendijk bekritiseerde de samenstelling van de rechtbank in de zaak tegen Volkert van der G. Volgens hem was één van de rechters gezien zijn functie als bestuurslid van Vluchtelingenwerk Nederland in het verleden niet onpartijdig. Zie hierover o.m.: Redactioneel, ‘LPF kritiseert keus rechter’, NRC Handelsblad 3 augustus 2002; C. Kelk, ‘Kamerleden moeten zich niet met de rechtspraak bemoeien’, NRC Handelsblad 8 augustus 2002; A. Brenninkmeijer, ‘Hoogendijk plaatst terecht een vraagteken’, NRC Handelsblad, 9 augustus 2002; G. Leistra, ‘Trias politica in het geding’, Elsevier, 10 augustus 2002, p. 10-11; H. Willems, ‘Deze kritiek raakt de rechtspraak in het hart; gedragscode is ongeschikt en schadelijk’, Het Parool, 10 augustus 2002, p. 19. Zie ook verderop in deze paragraaf.
Vonnissen van 26 mei 2009 gedaan tijdens een themazitting agressie tegen mensen met een publieke taak. O.m. burgemeester Cohen en Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Ter Horst, lieten zich kritisch uit over de redenering van de rechter dat een politieagent tegen een stootje moet kunnen (wat meewoog in de strafmaat). In hoger beroep heeft die redenering geen stand gehouden.
Davids 2006, p. 14.
Van Delden 2006, p. 45.
Kummeling 2007, p. 75, voetnoot 28.
Kummeling 2007, p. 75 met verwijzing naar Kortmann, Constitutioneel recht, 2005, p. 251, voetnoot 398.
Kuijer 2009, p. 290.
Hof Amsterdam, 18 juli 2003, LJN AI0123.
N. Roos, ‘Onafhankelijkheid als rechterlijk paternalisme’, NJB 2003, p. 2155. Zie ook N. Roos, ‘De zaak van der G. bij nader inzien’, NJB 2003, p. 1322-1328.
Gommer 2007, p. 24, 27 en zijn dissertatie 2008. De grens die hij noemt kan worden afgeleid uit Straatsburgse jurisprudentie, zoals uiteengezet in § 3.5.8 (hfdst. 3).
Zwart 2006, p. 108-110.
Corstens 2007, p. 671.
G.J.M. Corstens, president van de Hoge Raad, ‘Een blik op de toekomst’, bij de presentatie van het jaarverslag van de Hoge Raad 2007-2008, 3 juni 2009 (<www.rechtspraak.nl>).
Een minder fraai voorbeeld is de Belgische Fortis-zaak eind 2008. De Belgische regering zou geprobeerd hebben rechters te beïnvloeden die moesten oordelen over de zaak Fortis door middel van contact tussen de Minister van Justitie en een echtgenoot van één van de drie rechters. Als gevolg van deze kwestie werd de positie van de Belgische regering onhoudbaar. Zie o.m. P. Wattel, ‘Scheiding der machten’, NJB 2009, p. 79. Daarna is in België discussie ontstaan over de verhouding tussen een parlementaire onderzoekscommissie en alle andere lopende onderzoeken over de Fortis-affaire, zowel tucht-, burger- als strafrechtelijk. Op 19 januari 2010 heeft het Hof van Cassatie besloten dat twee raadsheren van het Brusselse hof van beroep zich voor het Gentse hof van beroep zullen moeten verantwoorden wegens valsheid in een deel van het Fortis-arrest van 12 december 2008.
Kuijer 2004, p. 260-261.
X t. Duitsland, ECRM 16 juli 1962, appl. no. 1063/61, Digest p. 669-670.
EHRM 16 juli 2002, Ciobanu, appl. no. 29053/95 (kritische toespraak van de Roemeense president richtte zich allereerst tot bestuursorganen die de rechterlijke uitspraken dienden uit te voeren en was o.m. daarom niet in strijd met de onafhankelijkheid en onpartijdigheid); EHRM 25 juli 2002, Sovtransavto, appl. no. 48553/99 (bemoeienis van de Oekraïense president met een lopende rechtszaak door middel van brieven en andere interventies gericht aan de rechterlijke macht is een bedreiging van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid).
Gezien het onderwerp van mijn dissertatie ga ik hier niet verder op in. De meeste literatuurverwijzingen in deze paragraaf schetsen duidelijk het kader voor schending van de onschuldpresumptie.
Zie o.m. Kamerstukken II 2007/08, 29 279, nr. 71 (brief van de Minister van Justitie van 10 april 2008) en Corstens 3 juni 2009.
Deze paragraaf handelt over openlijk commentaar van politieke ambtsdragers, bijvoorbeeld van bewindslieden en Kamerleden, op aanhangige rechtszaken of rechterlijke uitspraken waartegen nog hoger beroep open staat. Hoe is dergelijk commentaar te beoordelen in het licht van de machtenscheiding en de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid?
In Nederland geldt geen officiële ‘sub judice-regel’. Die uit Engeland afkomstige regel houdt in dat zolang een zaak niet onherroepelijk is beslist door de rechter, de andere staatsmachten en ook andere publieke organisaties zoals de media, zich onthouden van publiek commentaar dat kan worden beschouwd als een poging om de uitkomst van de zaak te beïnvloeden.1 De regel hangt samen met het jurystelsel en de bijbehorende strenge bewijsregels. Schending van de sub judice-regel kan in de meeste common law landen leiden tot een contempt of court procedure, wat letterlijk minachting van het hof betekent. Schending van de sub judice-regel is naar Nederlands recht niet strafbaar. Velen beschouwen het wel als een regel van fatsoen. Ik beperk mij in het kader van dit onderzoek tot commentaar dat afkomstig is van personen die behoren tot de andere staatsmachten. Nederlandse politici hebben het beginsel van sub judice lange tijd in acht genomen. De Tweede Kamer heeft meermaals aangegeven beducht te zijn voor het ter discussie stellen van de positie van de rechterlijke macht, alsmede te willen waken tegen beïnvloeding van de onafhankelijke rechter.2 Recent is dit nog bevestigd: ‘Een uitwerking van de trias politica is onder meer de ‘sub-judice’-regel, inhoudende dat aangelegenheden die aanhangig zijn bij de rechter, in beginsel geen onderwerp mogen zijn van het parlementaire debat.’3 De afgelopen jaren is die ongeschreven regel – met name in strafrechtelijke zaken – echter steeds vaker genegeerd door individuele politici. Incidenten deden zich bijvoorbeeld voor naar aanleiding van de zaak tegen Volkert van der G. over de moord op Pim Fortuyn,4 de zaak van militair Eric O., en een vonnis van de Amsterdamse politierechter inzake geweld tegen mensen met een publieke taak.5 Het betreft vooral zaken waarover de (maatschappelijke) commotie hoog opspeelt.
In de literatuur wordt de sub judice-regel in verband gebracht met het beginsel van machtenscheiding, met de onschuldpresumptie (art. 6 lid 2 EVRM) en met de schijn van afhankelijkheid en partijdigheid van de rechtspraak. Sommigen zijn van mening dat deze ongeschreven regel strikt moet worden nageleefd (onder meer Van Delden, Davids, Kuijer en het NJCM). Anderen menen dat de regel de rechtsprekende macht ten onrechte vrijwaart van kritiek op haar functioneren en bepleiten meer vrijheid voor politici om zich ook over individuele rechtszaken uit te laten (onder meer Zwart, Roos en Gommer).
Davids, voorstander van een strikte sub judice-regel, spreekt van ‘een zorgelijke ontwikkeling, die de onafhankelijkheid van de rechtspraak slechts in acuut gevaar kan brengen’.6 Van Delden wijst meer op het indirecte gevaar van het verlies aan vertrouwen in de rechtspraak en de rechtsstaat:
‘De politicus die de indruk wekt invloed uit te willen oefenen op een concrete rechterlijke beslissing, gaat over de schreef. Een bezwaar dat in de staatsrechtelijke verhoudingen vooral gewicht toekomt, is dat een dergelijke vorm van inmenging het vertrouwen in de rechtspraak aantast en het gezag van rechterlijke uitspraken ondermijnt. Dat raakt het functioneren van de rechtsstaat in het hart.’7
Ook Kummeling ziet daarin een reden voor terughoudendheid in individuele strafzaken.8 Met Kortmann is hij van mening dat een parlementaire enquête naar het functioneren van de rechterlijke macht mogelijk is, zolang de functionele rechterlijke onafhankelijkheid maar niet wordt aangetast. Dus zolang een parlementaire enquête niet direct interfereert met individuele zaken, lijken enquêtes parallel aan individuele strafzaken geoorloofd. De uiterste grens lijkt hem te zijn een directe bemoeienis van de kamer met individuele strafzaken.9 Dit standpunt sluit aan bij het door Kuijer terecht gemaakte onderscheid tussen uitlatingen sub judice en uitlatingen over een gewezen rechterlijke uitspraak en het functioneren van de rechterlijke macht als zodanig.10 Over die laatste categorie zijn de meeste auteurs het eens. In het publieke debat moet ruimte zijn om zich te kunnen uitlaten over aangelegenheden van publiek belang, zoals het functioneren van de rechterlijke macht in algemene zin. De vraagtekens rijzen bij uitlatingen over individuele rechtszaken sub judice. Daar is Kuijer met de eerder genoemde critici op tegen. Ook de rechterlijke macht zelf heeft zich in deze discussie niet onberoerd gelaten.
Het Hof Amsterdam wijst in het hoger beroep in de zaak Volkert van der G. op het vertrouwensaspect in verband met uitlatingen van politici over het strafproces. Volgens het Hof is niet uitgesloten dat uitspraken van bewindslieden en (kandidaat-)Kamerleden over een lopende strafzaak een ongeoorloofde inbreuk opleveren op het vermoeden van onschuld (art. 6 lid 2 EVRM) en op het recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht (art. 6 lid 1 EVRM). Daarvan was in casu geen sprake. Daarbij speelde de omstandigheid dat het Nederlandse strafproces geen jury kent, maar over feiten en straf uitsluitend door professionele rechters wordt geoordeeld, waardoor de kans op beïnvloeding door uitlatingen van publieke autoriteiten als de onderhavige gering mag worden geacht, een rol. Formeel gezien was er dus niets aan de hand. De rechters hebben volledig onafhankelijk en onpartijdig geoordeeld. Niettemin tikte het Hof enkele politici op de vingers:
‘De mededeling van minister Remkes, voor zover deze de strekking had dat de door de rechtbank opgelegde straf te laag was en dat die strafoplegging de minister heeft verbaasd, was ongepast riskant, omdat ze de indruk wekte van ministeriële onverschilligheid aangaande de in het Nederlandse staatsrecht vastgelegde verhouding tussen de rechtspraak en de leden van de regering. De uitlatingen van de parlementariërs (Hoogendijk en een ander) waarmee de onpartijdigheid van één van de leden van de rechtbank in twijfel is getrokken, waren ongelukkig, omdat ze bij een deel van het publiek kunnen hebben afgedaan aan het vertrouwen in de onpartijdigheid van de rechterlijke macht. (…)’11
In een opiniestuk over bovengenoemde uitspraak van het Hof schrijft Roos dat wat hem betreft
‘politici het volste recht hebben over iedere strafzaak te zeggen wat ze denken. Juist de institutionele onafhankelijkheid van de professionele rechter maakt het mogelijk dat politici mogen grommen en brullen wat ze willen, zolang ze daarmee maar geen strafbaar feit begaan en de rechterlijke onafhankelijkheid niet dreigen af te schaffen. (…) De rechter daarentegen toont zijn onafhankelijkheid juist door dit soort uitlatingen volstrekt te negeren in plaats van het vaderlijke vingertje ertegen te heffen.’12
Gommer is van mening dat interne controle bij de rechterlijke macht niet altijd voldoende is en een externe evaluatie van de besluitvorming door rechters niet moet worden uitgesloten met een beroep op de mythe van machtenscheiding. De trias politica is zijns inziens geen wetenschappelijk model, maar een dogma dat ten onrechte nooit verworpen is. De onafhankelijkheid van de rechter bestaat niet bij de gratie van machtenscheiding. Het is daarom belangrijk dat politici soms kritiek uiten op de rechterlijke macht. Dat houdt rechters scherp. Uit zijn onderzoek blijkt dat rechters zich daardoor niet zodanig laten beïnvloeden dat hun onpartijdigheid (en gezag) wordt aangetast. Ook een parlementaire enquête naar het functioneren van de rechterlijke macht, bijvoorbeeld in zaken van (vermeende) rechtsdwaling, wenst hij niet uit te sluiten. De grens ligt wat hem betreft bij het beïnvloeden van lopende processen met wetswijzigingen.13 Zwart ten slotte kiest de invalshoek van de vrijheid van meningsuiting. Hij wijst er op dat dat recht niet is beperkt in de wet ten aanzien van commentaar op de rechtspleging. Kortom, aldus Zwart, grondwettelijk gezien mag iedereen alles zeggen over de rechterlijke macht, ook over lopende zaken. Voor uitlatingen in de Kamer genieten Kamerleden op grond van artikel 71 GW zelfs parlementaire immuniteit. Door de grondwettelijk verankerde onafhankelijkheid van de rechters hoeven rechters zich volgens Zwart bovendien niet door uitlatingen van politici onder druk gezet te voelen (curs. PvdE).14 In feite komt het betoog van Roos, Gommer en Zwart, die het sub judice-beginsel niet onderschrijven, er op neer dat het bij uitlatingen door politici gezien de afwezigheid van harde bevoegdheden slechts om een psychologische vorm van druk op de rechter kan gaan, die is toegestaan. Ook volgens Corstens, de huidige president van de Hoge Raad, is de taak van rechters te belangrijk om die met een misplaatst beroep op de adagia van onafhankelijkheid en onpartijdigheid af te schermen voor alle kritiek. De rechtspleging zal zich moeten instellen op een kritische houding van publiek, politici en pers, door middel van een betere motivering van uitspraken.15 Tegelijkertijd wijst hij er op dat politici die kritiek leveren op de rechter in hun toonzetting in elk geval respect voor de positie van de rechter uitdrukken.16
Op zichzelf genomen is de rechterlijke onafhankelijkheid niet in het geding als het handelen en uitspraken van rechters door derden worden gevolgd en bekritiseerd. Rechtspraak functioneert immers – mede om die reden – in het openbaar. Ook voor politici rust er geen verbod op het doen van uitlatingen over rechtspraak in het algemeen, of op een concrete rechtszaak. Slechts wanneer andere overheidsorganen feitelijk druk op de rechter zouden uitoefenen, komt zijn onafhankelijkheid in gevaar.17 In dat opzicht is van belang dat in Straatsburg met het oog op het benodigde vertrouwen in de rechtspraak ook de schijn van afhankelijkheid en partijdigheid wordt getoetst. Als de indruk wordt gewekt dat een rechter onder druk van buitenaf is beïnvloed – en die indruk is objectief gerechtvaardigd – dan is artikel 6 EVRM geschonden. Uitlatingen van politici kunnen dus vanwege de schijn van afhankelijkheid van de rechter wel omstreden zijn. De zaak X t. Duitsland toont volgens Kuijer aan dat het ECRM commentaar van parlementsleden met betrekking tot lopende rechtszaken niet onvoorwaardelijk toestaat.18 Een lid van de Bondsdag had in een parlementair debat gezegd dat rechters te laag straffen. Daarbij verwees hij naar enkele rechtszaken als voorbeeld, waarvan er één nog aanhangig was bij het Court of Appeal. Volgens het ECRM bleek uit een aantal zaken dat de rechter niet onrechtmatig beïnvloed was. Ten eerste was de noodzaak van rechterlijke onafhankelijkheid expliciet erkend in het debat. Ten tweede had het debat niet geresulteerd in een besluit of aanbeveling gericht aan de rechter. Ten derde was de rechterlijke uitspraak in de betreffende zaak goed gemotiveerd en gaf deze geen blijk van enige partijdigheid vanwege het parlementaire debat.19 Ik verwacht niet dat het EHRM snel tot een schending van artikel 6 EVRM zal komen puur vanwege het feit dat een politicus in het openbaar uitlatingen doet over een lopende rechtszaak, zolang dat niet samengaat met (de uitoefening van) bepaalde bevoegdheden waarover hij jegens die rechter beschikt, om ook daadwerkelijk druk te kunnen uitoefenen. In de rechtspraak van het Hof zien slechts enkele voorbeelden op dergelijke situaties.20 Afgezien van uitzonderlijke gevallen is uit het oogpunt van rechterlijke onafhankelijkheid dus niet zoveel in te brengen tegen uitlatingen van politici over rechtspraak. Maar vanwege een mogelijke schending van de onschuldpresumptie21 en uit het oogpunt van machtenscheiding – waaronder het respecteren van elkaars specifieke functie – mag van politici wel worden verwacht dat zij terughoudend zijn met het geven van commentaar op concrete rechtszaken die nog niet beëindigd zijn.22 Daarbij past de leden van de regering een nog grotere terughoudendheid dan Kamerleden. Wat dat betreft sluit ik mij aan bij de voorstanders van een sub judice-regel. Maar laten wij het houden bij een fatsoensnorm.