Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/10.4
10.4 Verzoekschriftprocedure en bewijsrecht
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS353522:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 37.
Kamerstukken II 2013-14, 33 988, nr. 6, p. 11.
Te raadplegen via http://www.overheid.nl.
Brief van de minister van Veiligheid en Justitie van 11 juni 2013, Kamerstukken II 2012/13, 29 279, nr. 164, p. 2.
Concept MvT wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, p. 4, te raadplegen via http://www.overheid.nl. Zie art. 77a lid 1 Rv conceptwetsvoorstel. Vgl. Boeder 2014, p. 103.
Art. 77a lid 2 Rv conceptwetsvoorstel.
Concept MvT wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, p. 4.
Concept MvT wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, p. 5.
Concept MvT wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, p. 1. Vgl. Boeder 2014, p. 104.
Te raadplegen via http://www.rechtspraak.nl. Kritisch omtrent de haalbaarheid daarvan: Ahsmann & Hofhuis 2014.
Digitaal volgens conceptwetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, tenzij hij in persoon procedeert. Zie art. 77b Rv conceptwetsvoorstel.
Behalve bij een geschil over de transitievergoeding of over de verschuldigde vergoeding bij schending van de aanzegtermijn bij eindigen van rechtswege van een bepaaldetijdcontract. In dat geval geldt een termijn van drie maanden (art. 7:686a lid 4 sub b en e nieuw BW). Vgl. Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 37.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 37.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 37. Op dit moment is er in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen termijn gesteld voor de behandeling van verzoekschriftprocedures. De concept memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht neemt tot uitgangspunt de mondelinge behandeling in beginsel binnen vijftien weken na de start van de procedure (vorderings- of verzoekprocedure) te laten plaatsvinden. Daarmee zien we voor wat betreft de behandeling van verzoeken in het ontslagprocesrecht krachtens de Wet werk en zekerheid een forse afwijking ten behoeve van de snelheid van de procedure in vergelijking tot de nieuwe uniforme basisprocedure zoals voorgesteld in voornoemd conceptwetsvoorstel.
De memorie van toelichting noemt als voorbeeld een vordering uit achterstallig loon, uit hoofde van een tussen partijen aangegaan concurrentiebeding of rond (de terugbetaling van) een aan de werknemer toegekende transitievergoeding. Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 121.
Vgl. Van Slooten 2014b, p. 174-175.
Kamerstukken II 2013/14, 33 988, nr. 2, p. 6; Kamerstukken II 2013/14, 33 988, nr. 3, p. 5. Een andere mogelijke oplossing zou kunnen zijn het werken door de rechter met deelbeschikkingen. Vgl. voordracht L.G. Verburg, 'Eenvoudig of toch complex: nieuwe dualiteiten in perspectief', samenvattend verslag VAAN Symposium Wetsvoorstel werk en zekerheid '33818 in de praktijk gebracht', 21 januari 2014, p. 52. Nadeel daarvan is wel dat tegen zo'n deelbeschikking al hoger beroep moet worden ingesteld, terwijl over de andere deelverzoeken nog geen uitspraak is gedaan.
Het conceptwetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht beoogt geen wijziging van voornoemd artikel.
Zie § 7.2.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 4, p. 43; VAAN Notitie Wetsvoorstel werk en zekerheid 2014, p. 19. Zie ook: Advies Raad voor de rechtspraak omtrent wetsvoorstel hervorming flexrecht, ontslagrecht en Werkloosheidswet 2013, p. 9.
Vgl. VAAN Notitie Wetsvoorstel werk en zekerheid 2014, p. 19.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 38; Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 4, p. 60.
Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C, p. 110. Vgl. VAAN Notitie Wetsvoorstel werk en zekerheid 2014, p. 19.
En ook aan de overige voorwaarden gesteld in art. 166 lid 1 Rv voldaan wordt: de te bewijzen feiten betwist zijn en het bewijs tot de beslissing van de zaak kan leiden.
De Wet werk en zekerheid wijzigt de manier waarop ontslagprocedures worden ingeleid. Worden nu nog bijna alle ontslagprocedures ingeleid met een dagvaarding – met uitzondering van de ontbindingsprocedure van art. 7:685 BW – in de toekomst worden zij alle ingeleid met een verzoekschrift.1 Het tweede lid van het nieuwe art. 7:686a BW zal – na inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2015 – gaan bepalen dat de gedingen die op het in, bij of krachtens de negende afdeling (einde van de arbeidsovereenkomst) bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid met een verzoekschrift.2 Er is voor de verzoekschriftprocedure gekozen om de toegang tot de kantonrechter zo eenvoudig, laagdrempelig en goedkoop mogelijk in te kleden, waarbij de snelheid van de procedure ook een factor van belang is, aldus de memorie van toelichting.3
Overigens is op dit punt vermeldenswaardig het conceptwetsvoorstel van 23 oktober 2013 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (hierna: conceptwetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht).4 Het betreft een conceptwetsvoorstel dat is opgesteld ter uitwerking van het Programma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak (KEI) dat beoogt bij te dragen aan het behoud en de versterking van een goede toegankelijke, eenvoudige, snelle, doelmatige en betaalbare rechtspraak.5 In het voorontwerp wordt één nieuwe uniforme basisprocedure voorgesteld met dezelfde procesinleiding, het verzoekschrift.6 De dagvaarding als procesinleiding komt te vervallen. Wel blijft het onderscheid tussen vorderingen (het conceptwetsvoorstel spreekt over de vorderingsprocedure) en verzoeken (verzoekprocedure) bestaan.7 Voor elk van deze procedures bevat het voorontwerp aanvullende regelingen op de basisprocedure. De nieuwe vereenvoudigde basisprocedure in eerste aanleg gaat uit van één schriftelijke ronde voor beide partijen, gevolgd door een mondelinge behandeling en vervolgens een uitspraak.8 Bovendien stelt het voorontwerp meer en scherpere termijnen voor het verrichten van processtappen en worden alle processtukken in beginsel digitaal ingediend.9 Met het voorgaande wordt een toegankelijkere, eenvoudigere en snellere rechtsgang beoogd.10 De Agenda van de Rechtspraak 2015-2018 spreekt in dat verband over een versnelling van de duur van rechtszaken met 40% in 2018.11
De Wet werk en zekerheid bepaalt dat de werknemer zijn verzoek12 dient te doen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (art. 7:686a lid 4 nieuw BW).13 Het betreft een vervaltermijn en geen verjaringstermijn. Volgens de regering wordt hiermee de periode van onzekerheid over het al dan niet voortduren van de arbeidsovereenkomst, over het mogelijke herstel van de arbeidsovereenkomst of over het verschuldigd zijn en de hoogte van een vergoeding, zo kort mogelijk gehouden.14 Verder neemt de Wet werk en zekerheid in het nieuwe art. 7:686a lid 5 BW omwille van de snelheid van de procedure tot uitgangspunt dat de behandeling van het verzoek niet later zal aanvangen dan in de vierde week volgende op die waarin het verzoek is ingediend.15 De snelheid van de verzoekschriftprocedure wordt echter bedreigd – afgezien van de mogelijkheid tot hoger beroep en cassatie (zie hierna) – doordat alle mogelijke nevenvorderingen bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst of het herstel daarvan16 ingevolge art. 7:686a lid 3 nieuw BW ook bij het verzoek- of verweerschrift in dat geding kunnen worden ingesteld.17 Sommige van die nevenvorderingen kunnen complex zijn en een langdurige behandeling vergen inclusief toepassing van het bewijsrecht (zie hierna) en zo de eigenlijke ontslagzaak – bijvoorbeeld het ontbindingsverzoek – ophouden. Het voorgaande is ook door de regering erkend. Bij reparatiewetging (Verzamelwet SZW 2015) is voorgesteld een tiende lid aan art. 7:686a nieuw BW toe te voegen waarin geregeld is dat de rechter de bevoegdheid heeft om gezamenlijk ingediende verzoeken en vorderingen alsnog te splitsen indien deze zich, naar zijn oordeel, niet lenen voor gezamenlijke behandeling, bijvoorbeeld indien het nevenverzoek of de -vordering tot een onevenredige vertraging van een ontbindingsprocedure zou leiden.18
Artikel 284 Rv bepaalt dat de wettelijke bewijsregels uit de dagvaardingsprocedure van overeenkomstige toepassing zijn op de verzoekschriftprocedure, tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet.19 In hoofdstuk 7 van dit proefschrift is geconstateerd dat kantonrechters die uitzonderingsregel hanteren in de huidige ontbindingsprocedure ex art. 7:685 BW. Regelmatig overwegen zij dat vanwege het snelle karakter van de ontbindingsprocedure niet tot het horen van getuigen kan worden overgegaan.20 Dit heeft de Raad van State in zijn advies aangegrepen om de vraag te stellen welke procesrechtelijke gevolgen de invoering van de verzoekschriftprocedure over de gehele breedte van het ontslagrecht heeft.21 De regering geeft daarop geen klip en klaar antwoord.22 Tot uitgangspunt wordt genomen dat omwille van de snelheid van de verzoekschriftprocedure een aan de mondelinge behandeling voorafgaande schriftelijke wisseling van processtukken of het houden van een getuigenverhoor niet altijd passend zal zijn. In bijzondere omstandigheden, ter beoordeling aan de rechter, kan zulks echter wel aangewezen zijn. Als voorbeeld daarbij noemt de regering een procedure op grond van het nieuwe art. 7:681 BW waarbij de vraag speelt of sprake is van een terecht ontslag op staande voet. Verder verwacht de regering dat een rechter een aan hem in een verzoekschrift voorgelegd aanverwant geschil al snel zal kwalificeren als een bijzondere omstandigheid waardoor alle bewijsrechtelijke mogelijkheden hem ten dienste staan.23 In de memorie van antwoord voegt de regering daaraan toe dat het aan de rechter is om aan de hand van de omstandigheden van het geval te beoordelen of het bewijsrecht ten aanzien van zowel vorderingen als verzoeken van toepassing is. Het is volgens de regering niet wenselijk om die beoordelingsvrijheid van de rechter in te kleuren door het noemen van concrete voorbeelden. Dat neemt echter niet weg dat in de situatie waarin ter discussie staat of de werkgever of werknemer verwijtbaar gehandeld heeft, het voor de hand ligt om het bewijsrecht van toepassing te achten.24 De Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland (VAAN) heeft vervolgens in een brief aan de Eerste Kamer de vraag gesteld of – als wordt aanvaard dat het bewijsrecht op sommige punten van toepassing is, zoals ten aanzien van de vraag of van ernstige verwijtbaarheid sprake is – dit niet de onvermijdelijke consequentie heeft dat het bewijsrecht in volle omvang van toepassing is, bijvoorbeeld ook als aan de orde is of al dan niet sprake is van een situatie als bedoeld in art. 7:669 lid 3 nieuw BW (redelijke grond voor opzegging). In reactie hierop herhaalt de regering het uitgangspunt dat het aan de rechter wordt overgelaten of het bewijsrecht van toepassing is. Dat zal afhangen van factoren als het al dan niet spoedeisende karakter van het voorgelegde geschil alsmede van de complexiteit van de zaak. Vervolgens voegt de regering daaraan toe dat aangenomen mag worden dat bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in art. 7:669 lid 3 nieuw BW, net als in andere zaken die het ontslag als zodanig van een werknemer betreffen, een zekere spoedeisendheid aan de orde is, waardoor het bewijsrecht in de regel niet onverkort van toepassing zal zijn. Dat laat uiteraard onverlet dat een werkgever aannemelijk moet maken dat er een redelijke grond bestaat voor het ontslag en, zoals reeds aangegeven, in complexe zaken anders door de rechter kan worden geoordeeld, bijvoorbeeld wanneer discussie bestaat over ernstige verwijtbaarheid van de werkgever of de werknemer.25
Het voorgaande sluit aan bij hetgeen ik in het kader van dit onderzoek heb geconstateerd. Met betrekking tot de toepasselijkheid van het bewijsrecht in de huidige ontbindingsprocedure heb ik in hoofdstuk 7 bepleit dat de kantonrechter in iedere individuele ontbindingszaak aan de hand van de relevante omstandigheden van het geval moet beoordelen of het spoedeisende karakter van het ontbindingsverzoek zich tegen toepassing van het wettelijk bewijsrecht verzet. Daarbij geldt dat het belang van partijen om snel zekerheid te hebben over het einde van de arbeidsovereenkomst niet in iedere zaak even evident is, terwijl een partij of partijen wel groot belang kan/kunnen hebben bij de toepassing van het wettelijk bewijsrecht.
Overigens zij hier herhaald dat alleen de spoedeisendheid van de zaak zich kan verzetten tegen overeenkomstige toepassing van het wettelijk bewijsrecht in een verzoekschriftprocedure. Is de zaak niet spoedeisend te achten, dan moet het bewijsrecht toegepast worden. Is een zaak wel spoedeisend – hetgeen bij een ontslagzaak goed voorstelbaar is vanwege het belang van partijen om snel zekerheid te hebben over het einde van de arbeidsovereenkomst, hetgeen ook de regering tot uitgangspunt neemt – dan betekent dat niet dat de rechter het bewijsrecht niet mág toepassen. Het betekent alleen dat de wettelijke bewijsbepalingen uit de dagvaardingsprocedure niet van overeenkomstige toepassing zijn, zodat de kantonrechter geen getuigenverhoor hoeft toe te staan conform art. 166 Rv indien daarom door een partij wordt verzocht.26 Op dit punt – de kantonrechter oordeelt dat de zaak spoedeisend is – komt de door de regering aangehaalde complexiteit van de zaak om de hoek kijken. Weegt de spoedeisendheid van de zaak niet op tegen het belang van toepassing van het bewijsrecht, (bijvoorbeeld) vanwege de complexiteit van de zaak, dan kan de kantonrechter toch tot getuigenverhoor overgaan.
Specifiek met betrekking tot de toepasselijkheid van het bewijsrecht in de ontbindingsprocedure nieuwe stijl kan nog opgemerkt worden, dat – zoals door mij reeds bepleit in hoofdstuk 7 – op basis van de nieuwe wettekst niet (meer) volgehouden kan worden dat ontbindingsprocedures naar hun aard altijd spoedeisend zijn en zich daarom altijd verzetten tegen toepasselijkheid van het wettelijk bewijsrecht. Zo worden hoger beroep en cassatie mogelijk tegen de ontbindingsbeschikking (zie hierover de volgende paragraaf). Weliswaar heeft dit hoger beroep en cassatie geen schorsende werking, maar kan een toegewezen ontbindingsbeschikking in eerste aanleg wel worden teruggedraaid door een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Bovendien spreekt het nieuwe art. 7:671b BW, dat handelt over het werkgeversverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, in tegenstelling tot het huidige art. 7:685 BW niet meer over ontbinding ‘dadelijk of na korte termijn’. Wellicht brengt ook het feit dat alle procedures met betrekking tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de toekomst met een verzoekschrift worden ingeleid een verbetering van de bewijspositie voor partijen in de ontbindingsprocedure nieuwe stijl. Ook op dat punt verliest de ontbindingsprocedure zijn uitzonderingspositie.