Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.3.8.2
3.3.8.2 Bekwaamheid en zedelijkheid in historische context
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949382:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1857, 103. Zie over het bevoegdhedenstelsel in historische context uitgebreider Brekelmans en van Es 2019, p. 29 e.v.
Artikel 6 van de Lager onderwijswet.
Artikel 40 e.v. van de Lager onderwijswet.
Zie uitgebreider artikel 44 en 45 van de Lager onderwijswet.
Artikel 21 van de Lager onderwijswet.
Artikel 8 van de Lager onderwijswet.
Artikel 39 van de Lager onderwijswet.
Kamerstukken II 1866/67, 81, nr. 2, p. 1207.
Kamerstukken II 1856/57, LXXXIV, nr. 4, p. 657 (voorlopig verslag).
Kamerstukken II 1856/57, LXXXIV, nr. 4, p. 657 (voorlopig verslag).
Kamerstukken II 1856/57, LXXXIV, nr. 5, p. 985 (memorie van beantwoording).
Artikel 4 van de Wet op het middelbaar onderwijs (Stb. 1863, 50).
Stb. 1876, 102. Zie hierover ook Kamerstukken II 1874/75, 30, nr. 1, p. 5).
Artikel 194, vierde lid, van de Grondwet van 1848 (Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen.).
In de Lager onderwijswet van 1857 moesten, na invoering van de Grondwet van 1848, regels worden gesteld omtrent de bekwaamheid en zedelijkheid van de leraar.1 De regels die destijds zijn vastgesteld zijn in grote lijnen ongewijzigd gebleven. In de Lager onderwijswet werd bepaald dat geen onderwijs gegeven mocht worden door diegenen die niet beschikten over de in de wet gestelde bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid.2 De acten van bekwaamheid tot het geven van schoolonderwijs konden worden verkregen door het afleggen van een examen. 3 Van de leraar werd destijds onder meer verwacht dat hij goed kon lezen en schrijven, dat hij zich mondeling en schriftelijk gemakkelijk kon uitdrukken en dat hij kon rekenen.4 Het vereiste getuigschrift van goed zedelijk gedrag kon de leraar verkrijgen van het bestuur van zijn gemeente.5 Zonder dit getuigschrift en de acte van bekwaamheid mocht de leraar niet benoemd worden. Diegene die toch onbevoegd onderwijs gaf werd bestraft met een boete van 25 gulden, bij een tweede overtreding volgde een boete van 150 gulden en een gevangenisstraf van 8 tot 14 dagen, een derde overtreding kon zelfs bestraft worden met een gevangenisstraf van maximaal een jaar.6 De bevoegdheid tot het geven van onderwijs kon daarnaast worden ontnomen indien de leraar was veroordeeld tot bepaalde misdrijven of “ergerlijk levensgedrag” had vertoond.7 Wat onder ergelijk levensgedrag werd verstaan heeft de wetgever niet duidelijk willen maken. Het omvatte in elk geval meer dan hetgeen dat via het strafrecht strafbaar was gesteld.8 Het werd aan de Inspecteur gelaten om per geval te beoordelen of het gedrag van de onderwijzer als ergerlijk was aan te wijzen.
Gedurende de parlementaire behandeling van de Lager onderwijswet werd de vraag gesteld of het streng toepassen van de regel dat enkel onderwijs mag worden gegeven door de leraar die zijn bekwaamheid en zedelijkheid kon aantonen niet averechts zou werken.9 Zo zou iemand die niet het benodigde examen had afgelegd, maar die zonder beloning onderwijs gaf, uitgesloten worden van het geven van onderwijs. Als voorbeeld werd hierbij genoemd de:
“echte kindervrienden van beiderlei geslacht, die er een waar genot in vonden, de schooljeugd in het een of ander vak te helpen onderwijzen en van wie zich toch niet vergen laat, dat zij zich aan het ondergaan van een examen onderwerpen.”10
De Kamerleden wilden uiteindelijk echter niet de grondwettelijke eis, dat onderzoek gedaan moet worden naar de bekwaamheid en zedelijkheid van de onderwijzers, afzwakken. Dit zou de deur voor misbruik openen. Wel zou er een mogelijkheid moeten zijn voor de Koning om in bijzondere gevallen dispensatie te verlenen van de bekwaamheids- en zedelijkheidseisen, voor personen die zonder geldelijke beloning onderwijs geven. Dit werd door de regering overgenomen.11
Een paar jaar later in 1863 werd voor het middelbaar onderwijs conform de Grondwet eveneens bepaald dat het onderwijs enkel gegeven mocht worden door diegenen die in het bezit zijn van bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid.12 Hierbij is inhoudelijk aangesloten bij de reeds tot stand gekomen Lager onderwijswet.13 Onder het middelbaar onderwijs werd destijds ook het middelbaar en hoger beroepsonderwijs verstaan.
In de Hoger onderwijswet 1876 werden geen bekwaamheids- en zedelijkheidseisen voor leraren opgenomen.14 Uit het destijds geldende artikel 194 van de Grondwet vloeide voort dat het hoger onderwijs vrij is, behoudens het toezicht van de overheid. De wetgever was enkel bevoegd om bekwaamheids- en zedelijkheidseisen te stellen ten aanzien van leraren in het lager en middelbaar onderwijs.15 Het hoger onderwijs werd dan ook vrijgelaten bij het aanstellen van leraren, wel konden de universiteiten hier zelf eisen over stellen. In het huidige artikel 23, tweede lid van de Grondwet is bepaald dat bij wet eisen kunnen worden gesteld over de bekwaamheid en zedelijkheid van docenten in bij wet aan te wijzen vormen van onderwijs. Van de mogelijkheid om dergelijke eisen te stellen voor het hoger onderwijs heeft de wetgever evenwel slechts beperkt gebruikgemaakt.