Kavelruil
Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.C.7.d:d. Opheffing onverdeeldheid via kavelruil
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.C.7.d
d. Opheffing onverdeeldheid via kavelruil
Documentgegevens:
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS473743:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRS 15 januari 2001, nr. 200003100/1, niet gepubliceerd. Zie tevens H.F.A.M. Schuurmans, ‘Kavelruil’, p. 59.
Zie redactie FBN, ‘Opheffen van onverdeeldheid vóór ruilverkaveling?’.
Zie tevens onderdeel C.1.d van het navolgende hoofdstuk, alwaar, t.a.v. de ‘naburigheidseis’ uit het ‘oude’ art. 15, lid 1, onderdeel q, gold dat niet van ‘naburigheid’ kon worden gesproken ingeval er sprake was van onverdeelde aandelen in onroerende zaken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot nog een korte opmerking ten aanzien van de (on)mogelijkheid tot opheffing van een onverdeeldheid via de kavelruil. Dit leerstuk heeft de gemoederen gedurende de jaren beziggehouden. In de uitspraak kavelruil Wilnis1 is de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van oordeel dat de opheffing van onverdeeld eigendom via de kavelruil, door toedeling aan één van de mede-eigenaren, niet kan worden gezien als het samenvoegen en opnieuw verkavelen van eigendommen. De opheffing van de onverdeelde eigendom leidt, zo luidde het beleid van de minister onder de Landinrichtingswet, niet tot een objectieve verbetering van de inrichting van het landelijk gebied. Dit beleid inzake kavelruil dient overigens te worden onderscheiden van de situatie bij herverkaveling, alwaar de titelzuivering doorwerkt in fiscalibus. De opheffing van een onverdeeldheid via een herverkaveling kan alsdan fiscaal bezien ongunstig uitwerken, zo is hiervoor in onderdeel A.3.b uitgebreid besproken.2
In mijn opinie is het beleid van de minister en de rechtspraak ten aanzien van de opheffing van een onverdeeldheid alleen voor Liw-kavelruilen van belang. Door de fiscale vereenvoudiging sinds de komst van de WILG en de daarmee gepaard gaande ondergang van de zelfstandige positie van de ‘objectieve verbetering’ door de introductie van de ‘fictie’ kan onder het regime van de WILG de opheffing van een onverdeeldheid wel degelijk via een kavelruil plaatsvinden. Zowel op civielrechtelijk als op fiscaal vlak zijn er thans geen obstakels meer voor deze conclusie.3