Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.2.2.1
4.3.2.2.1 Fataal karakter
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496613:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 32-33 (MvT). Zie ook Kamerstukken I 2016/17, 34 552, nr. E, p. 66-67 (MvA).
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 7, p. 31 (NV).
Welke complicaties het zou betreffen wordt niet duidelijk [noot; BH].
Dit laat vanzelfsprekend onverlet de mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift tegen de voldoening op aangifte of de daaruit voortvloeiende naheffingsaanslag en/of het indienen van een btw-suppletieaangifte, wanneer de btw niet na één jaar is teruggevraagd (zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 7, p. 31 (NV) en Kamerstukken I 2016/17, 34 552, nr. E, p. 67 (MvA).
De éénjaarstermijn is een fatale termijn. Dit houdt in dat het recht op teruggaaf van btw (juridisch bezien) nooit later dan één jaar na het opeisbaar worden van de vordering kan ontstaan, dus ook niet als de niet-betaling – wederom met inachtneming van het redelijkheidscriterium – feitelijk op een later tijdstip feitelijk komt vast te staan.1 In de memorie van toelichting wordt als voorbeeld genoemd het geval waarin na één jaar een deel van het gefactureerde bedrag nog niet is ontvangen, vanwege bijvoorbeeld een nog lopend conflict tussen de leverancier en de afnemer. Ook in dat geval ontstaat bij het verstrijken van de éénjaarstermijn recht op de vermindering van belasting. Op dat tijdstip hoeft niet definitief vast te staan dat de afnemer ter zake van de betaling daadwerkelijk geheel of gedeeltelijk in gebreke zal blijven. De wetgever vervolgt:2
“Belangrijke punten van de nieuwe, vereenvoudigde regeling zijn namelijk dat je één jaar na het verstrijken van de datum van opeisbaarheid hoe dan ook recht hebt op een teruggaaf en dat een vordering, vroeger of later, ook één of meerdere keren kan worden overgedragen aan een andere ondernemer. In zo’n systeem past het niet dat een belanghebbende geruime tijd na het ontstaan van het recht op teruggaaf een verzoek daartoe zou indienen, omdat dat zou kunnen leiden tot ongewenste complicaties3.”
Een verzoek om teruggaaf over een later tijdvak dan het tijdvak waarin de btw-correctie op grond van de éénjaarstermijn is ontstaan zal dan ook te laat zijn.4 In de praktijk zullen ondernemers die bijvoorbeeld een conflict hebben met hun afnemer, maar toch verwachten dat (een deel van) de vergoeding op termijn (ná het verstrijken van de éénjaarstermijn) zal worden voldaan, om teruggaaf van btw moeten verzoeken om hun rechten veilig te stellen. Zoals we in paragraaf 4.3.3.1 zullen zien, geeft de latere betaling vervolgens aanleiding tot het maken van een additionele correctie (ook als bij het verstrijken van de éénjaarstermijn niet om teruggaaf is verzocht).