Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.4:2.5.4 Onwaardigheid en de verboden beschikkingen
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.4
2.5.4 Onwaardigheid en de verboden beschikkingen
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859198:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Perrick 4 2021/235 en F. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 260. Zie ook par. 1.2.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1800. Vgl. ook F. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 260.
Asser/Perrick 4 2021/235.
Van Mourik & Schols, Erfrecht (Mon. Pr. nr. 1) 2021/7.
Van Mourik & Schols, Erfrecht (Mon. Pr. nr. 1) 2021/7. Zie hierover ook par. 2.5.9.
Van Mourik & Schols, Erfrecht (Mon. Pr. nr. 1) 2021/51.
Hof Den Bosch 17 april 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5737.
De Jonge, WPNR 2020/7279, p. 304-306.
Zie par. 1.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is aan de orde gekomen dat artikel 4:43 BW vernietiging van een uiterste wilsbeschikking wegens misbruik van omstandigheden uitsluit. Daarvoor in de plaats treden de verboden beschikkingen uit artikel 4:57 e.v. BW.1 Deze verboden beschikkingen zijn gronden van onbevoegdheid om voordeel te trekken uit een nalatenschap, ongeacht of er misbruik van omstandigheden is geweest.2 De ratio van deze bepalingen is bescherming van de erflater tegen ongeoorloofde beïnvloeding. De artikelen beogen het daaruit met name voor de erfgenamen voorvloeiende nadeel te ecarteren.3 De wetgever probeert een minder wenselijke invloed van bepaalde personen die op het tijdstip van testeren in een bijzondere relatie tot de erflater staan te voorkomen.4
Naast een verband met het leerstuk misbruik van omstandigheden heeft onwaardigheid ook raakvlakken met de verboden beschikkingen. Meer in het bijzonder de onwaardigheidsgrond in artikel 4:3 lid 1 sub d BW: het door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid dwingen of beletten een uiterste wilsbeschikking te maken.
Gedacht kan worden aan situaties waarin de erflater in een feitelijke afhankelijkheidsrelatie heeft gestaan tot de erfrechtelijke verkrijger. Steeds vaker blijkt dat hulpbehoevenden door in hun nabijheid verkerende personen onder druk worden gezet bepaalde uiterste wilsbeschikkingen te maken. Bevond de erflater zich in een afhankelijke positie dan zal hij mogelijk niet bestand zijn geweest tegen de veelal in bedekte termen geuite dreigementen voor het geval de uiterste wilsbeschikking niet tot stand komt.5
Voor onwaardigheid is vereist dat de erflater door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid is gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken. Onwaardigheid is daarbij niet beperkt tot een bepaalde kring van personen, zoals bij de verboden beschikkingen wel het geval is. Ongeacht tot wie de erflater in een feitelijke afhankelijkheidsrelatie staat, is onwaardigheid een mogelijkheid. In tegenstelling tot de verboden beschikkingen is wel vereist dat de persoon in kwestie daadwerkelijk onwenselijk heeft gehandeld. Hij moet de erflater hebben gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken. Er gelden daarbij – in tegenstelling tot de verboden beschikkingen – geen eisen als het gaat om de toestand van de erflater alsmede zijn doodsoorzaak. De daadwerkelijke onbetamelijke beïnvloeding van de erflater staat centraal. De moeilijkheid bij onwaardigheid bevindt zich op procesrechtelijk vlak. In de hiervoor geschetste situaties is het bewijs vaak lastig te leveren.6
Bij de verboden beschikking is niet van belang of daadwerkelijk sprake is geweest van ongeoorloofde beïnvloeding. Die hobbel hoeft daar niet genomen te worden. Dat betekent echter niet dat in de hiervoor geschetste situatie vernietiging van de uiterste wilsbeschikking altijd in het vizier komt. Er gelden aanvullende eisen, waaronder de voorwaarden dat de begunstigde de erflater moet hebben bijgestaan gedurende zijn ziekte waaraan de erflater vervolgens is overleden (art. 4:59 BW). Van Mourik en Schols tekenen op dat gewoon oud en hulpbehoevend niet impliceert dat van een ziekte sprake is. Zij voelen voor een zeer ruime uitleg van het begrip ziekte.7 Verder geldt dat de begunstigde een beroepsbeoefenaar dient te zijn op het gebied van de individuele gezondheidszorg (art. 4:59 BW). Deze voorwaarde kan beperkend werken. Zo valt volgens het Hof Den Bosch een mantelzorger hier niet onder.8 Bovendien dient de uiterste wilsbeschikking gedurende de behandeling of bijstand te zijn gemaakt (art. 4:59 BW). De Jonge acht het wenselijk misbruik van omstandigheden te erkennen als grond voor vernietiging van een uiterste wilsbeschikking om zo de belangen van kwetsbare en afhankelijke personen te beschermen.9
Kortom, de eisen en daarmee het toepassingsbereik van de beide regeling verschilt. Echter, niet is uitgesloten dat aan de voorwaarden van zowel artikel 4:3 lid 1 sub d BW als artikel 4:59 BW wordt voldaan. In een dergelijk geval prevaleert onwaardigheid. Onwaardigheid werkt van rechtswege en betreft een bepaling van openbare orde.10 Dat gaat voor de minder verstrekkende vernietigbaarheid bij de verboden beschikkingen.