Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.4.1
7.4.4.1 Omkering van rechtswege en ambtshalve toepassing door de rechter
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940412:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Langereis & De Roos 2010, p. 226-227.
HR 27 juni 2014, V-N 2014/34.4, BNB 2014/214.
HR 28 maart 1979, BNB 1979/169, HR 12 oktober 1988, BNB 1988/323 (zie r.o. 4 van het Hof), HR 5 juni 1996, BNB 1996/234, HR 9 september 2022, V-N 2022/40.19, r.o. 4.2.2 (ook bij een onherroepelijke informatiebeschikking), en zie voorts de bij Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 112 (noot 323) vermelde vindplaatsen.
Koopman 1996, par. 5.3.1, Langereis & De Roos 2010, p. 227.
Volgens A-G Niessen kan ook de Hoge Raad de omkering ambtshalve toepassen als de vaststaande feiten geen andere conclusie toelaten, zie zijn Conclusie voor HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.21, BNB 2018/178 (m.n. par. 5.16-5.17). De Redactie Vakstudie-Nieuws is van mening dat de Hoge Raad daarmee op de stoel van de feitenrechter zou gaan zitten (zie de Aantekening in V-N 2018/29.4). In HR 9 september 2022, V-N 2022/40.19, r.o. 4.2.2 oordeelt de Hoge Raad dat ‘de belastingrechter in feitelijke instantie’ gehouden is om de omkering ambtshalve toe te passen. Tegelijkertijd casseert de Hoge Raad in dat arrest zelf ambtshalve.
HR 12 oktober 1988, BNB 1988/323 (zie r.o. 4 van het Hof).
HR 9 september 2022, V-N 2022/40.19, r.o. 4.2.2. De verplichting tot ambtshalve toepassing bestaat ‘indien de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven’.
Zie ook noot 38 op p. 227 van Langereis & De Roos 2010.
Zie omtrent deze begrippen nader paragraaf 9.4.1.3.
HR 9 september 2022, V-N 2022/40.19, r.o. 4.2.2.
HR 9 december 2005, V-N 2005/61.2, BNB 2006/241, HR 2 maart 2007, BNB 2007/191. Zie ook Feteris 2007, p. 319.
Happé e.a. 2010, p. 395.
Het lijkt mij onverenigbaar met de aard van de informatiebeschikking dat de rechter die de rechtmatigheid daarvan beoordeelt, zelfstandig een andere onderbouwing zou kunnen aandragen. Het is immers de inspecteur die in de informatiebeschikking vaststelt welke informatieverplichtingen zijn geschonden, zodat de belastingplichtige daartegen in rechte kan opkomen. Vgl. in dit verband de opmerkelijke stellingname van de inspecteur en de reactie van het Hof daarop in Hof Arnhem-Leeuwarden 2 mei 2023, V-N 2023/37.20, r.o. 4.1-4.2. Twijfel is echter mogelijk, zie de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Hof ‘s-Hertogenbosch 21 januari 2021, V-N 2021/24.15.
De wettelijke bepalingen die de omkering regelen, zijn imperatief geformuleerd en dus van dwingend recht.1 Het rechtsgevolg van de omkering vloeit rechtstreeks voort uit de wet: omkering vindt van rechtswege plaats. Het is voor het intreden van de omkering dan ook niet vereist dat de inspecteur de belastingplichtige vooraf heeft gewezen op zijn wettelijke verplichtingen, of op de mogelijke gevolgen van het niet-nakomen van die verplichtingen.2
Als vaststaat dat aan de voorwaarden is voldaan, past de rechter de omkering zo nodig ambtshalve toe, mocht de inspecteur daarop geen beroep hebben gedaan.3 In de literatuur lijkt er overeenstemming over te bestaan dat van de rechter evenwel niet verwacht wordt dat hij zelfstandig op onderzoek uit gaat om te beoordelen óf aan de voorwaarden is voldaan.4 De (feiten)rechter5 kan niettemin zelfstandig uit de vaststaande feiten en omstandigheden afleiden dát aan de voorwaarden is voldaan.6 Het komt erop neer dat de regeling weliswaar dwingendrechtelijk is, maar niet (tevens) van openbare orde.7 Bewijstechnisch is het dus zaak voor de inspecteur om feiten en omstandigheden aan te dragen op grond waarvan de rechter kan oordelen dat aan de voorwaarden is voldaan. Die feiten en omstandigheden kunnen echter evenzeer door de belastingplichtige zelf gesteld zijn.8 De conclusie is dat er een ambtshalve toetsingsplicht (en geen zelfstandige onderzoeksplicht) geldt.9
De rechter moet dus de omkering toepassen als uit de vaststaande feiten volgt dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, ook als partijen het erover eens zijn dat de bewijslast niet moet worden omgekeerd. Opvallend is dat de ambtshalve toetsingsplicht ook geldt in de spiegelbeeldsituatie, waarin beide partijen het erover eens zijn dat de omkering wél van toepassing is. Als die (rechts)opvatting gelet op de vaststaande feiten onjuist is, moet de rechter oordelen dat de bewijslast (toch) niet wordt omgekeerd en dat de normale bewijsregels gelden.10
Wanneer de rechter ambtshalve aanleiding ziet om de omkering toe te passen (terwijl de omkering tussen partijen niet in geschil was), zal hij de gronden daarvoor moeten mededelen aan de belastingplichtige. Daarna zal de belastingplichtige de gelegenheid moeten krijgen om zich over die gronden uit te laten en die desgewenst te bestrijden.11 Happé e.a. wijzen er terecht op dat deze eis ook geldt als de inspecteur zich wel op de omkering heeft beroepen, maar de rechter een andere grond voor de omkering ziet dan de inspecteur.12 Gelet op de huidige regeling van de informatiebeschikking is het voorgaande voor wat betreft categorie II-triggers naar mijn mening niet (meer) aan de orde.13