Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.4.2.3.4
4.4.2.3.4 Verweermiddelen
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931128:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.4.2.2.4.
Zie hiervoor, nr. 157.
De Kok 1965, p. 117.
Aldus uitdrukkelijk Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 101 (TM) en HR 8 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1615, NJ 2010/155, m.nt. S.F.M. Wortmann (X/UWV), r.o. 3.3.1. Vgl. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911, NJ 2000/290, m.nt. J.B.M. Vranken; JOR 1999/91(Spektrum Financieringen/van der Valk), r.o. 3.2, en zie voorts Van Boom 2016a, p. 113.
Asser/Sieburgh 6-II 2021/266; Wibier 2020/26.
Zie hiervoor, nr. 157.
Het laten verjaren van de vordering van A op C kan onder omstandigheden in strijd zijn met het in art. 6:2 BW en art. 6:154 BW bepaalde.
Zie onder meer art. 3:323 BW (pand en hypotheek), art. 7:853 BW (borgtocht), art. 3:324 BW (tenuitvoerlegging rechterlijke en arbitrale vonnissen) en art. 3:312 BW (rentevorderingen).
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 119 (TM).
Zie hiervoor, nr. 161.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 501 (TM). Zie voorts Faber 2005/248; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/200; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019/92 en 93; en Schuijling 2019/17. Vgl. Asser/Sieburgh 6-II 2021/272.
Faber 2005/250.
Vgl. Van Boom 1999, p. 179; Van Boom 2016a, p. 117.
179. Algemeen. Het kenmerkende verschil met het verhaalsrecht krachtens regres is dat het verhaalsrecht krachtens subrogatie reeds vóór de subrogatie bestond, namelijk als vordering van de oorspronkelijke schuldeiser. Overgang van de vordering op een presterende hoofdelijk schuldenaar laat de verweermiddelen die zijn medeschuldenaren tegen de oorspronkelijke schuldeiser konden inroepen, onverlet (art. 6:12 lid 1 jo. art. 6:145 BW). Waar bij regres een afzonderlijke wettelijke bepaling nodig is om de in regres aangesproken schuldenaar zijn verweermiddelen ook jegens de regreszoekende medeschuldenaar te kunnen inroepen,1 spreekt dit in het kader van subrogatie doorgaans vanzelf: het gaat immers om dezelfde vordering. Zo hebben voorwaarden, tijdsbepaling, opschortingsrechten en aantasting van de verbintenis door bijvoorbeeld verval, ontbinding en vernietiging óók werking indien de presterende schuldenaar krachtens subrogatie verhaal zoekt op zijn medeschuldenaren. Als uitgangspunt geldt dan ook dat de krachtens subrogatie aangesproken schuldenaar alle verweren kan inroepen tegen zijn regreszoekende medeschuldenaar. Ik bespreek hier slechts de uitzonderingen.
180. Verjaring. Waar het beroep van de in regres aangesproken schuldenaar op verjaring slechts beperkt mogelijk is,2 kan hij zich ook jegens zijn medeschuldenaar beroepen op de verjaring van (de rechtsvordering verbonden aan) de vordering waarin de presterende hoofdelijk schuldenaar krachtens subrogatie treedt.3 De verjaring kan op het moment van overgang reeds zijn voltooid (vgl. art. 6:11 lid 3 BW), maar ook is denkbaar dat zij slechts is aangevangen en pas na de overgang is voltooid. Het zelfstandige karakter van hoofdelijke verbintenissen brengt immers mee dat zij afzonderlijk verjaren.4 In beide gevallen kan de krachtens subrogatie aangesproken schuldenaar zich hierop beroepen.5 Hiermee vormt de verjaring een belangrijk verschil tussen de verhaalsrechten krachtens regres en die krachtens subrogatie.6
Heeft A een hoofdelijke aanspraak op B en C tot betaling van € 250.000, en voldoet B de volledige schuld, dan kan de rechtsvordering tot nakoming van A jegens C al zijn verjaard, bijvoorbeeld omdat het gaat om een vordering uit overeenkomst die al meer dan vijf jaren en een dag opeisbaar is (art. 3:307 lid 1 BW), terwijl de verjaring niet is gestuit.7 Heeft A de verjaring van zijn rechtsvordering jegens B wel gestuit, of voldoet B een op hem na het intreden van de verjaring rustende natuurlijke verbintenis, dan wordt B gesubrogeerd in een niet-afdwingbare vordering op C. Subrogatie biedt B dan geen toegevoegde waarde, omdat als gevolg van de verjaring niet alleen de aan de vordering verbonden rechtsvordering teniet is gegaan, maar ook de daaraan verbonden nevenrechten zullen hebben opgehouden te bestaan.8 Hij zal zich dan tevreden moeten stellen met een regresaanspraak.9
181. Verrekening. Ook wat verrekening betreft bestaat een belangrijk verschil met regres,10 omdat de krachtens subrogatie aangesproken medeschuldenaar zich wél kan verweren met een beroep op verrekening. Art. 6:130 lid 1 BW brengt mee dat de in regres aangesproken schuldenaar zijn verrekeningsbevoegdheid niet verliest indien zijn schuld door subrogatie overgaat op een presterende medeschuldenaar; ook de subrogatie betreft een overgang onder bijzondere titel.11 Wel is de verrekeningsbevoegdheid in de verhouding tot de gesubrogeerde hoofdelijk schuldenaar mogelijk in zoverre anders, dat zij is beperkt tot het bedrag waarvoor die schuldenaar krachtens subrogatie verhaal kan nemen.12
Heeft A een hoofdelijke aanspraak op B en C tot betaling van € 250.000, en voldoet C de volledige schuld terwijl B zich jegens A op verrekening had kunnen beroepen, dan kan B zich– voor zover is voldaan aan de vereisten van art. 6:130 lid 1 BW – jegens C eveneens beroepen op zijn bevoegdheid tot verrekening. Stel dat B een vordering had van € 100.000 op A en dat in de onderlinge verhouding tussen B en C, B voor 100% draagplichtig is. C verkrijgt dan door betaling van € 250.000 aan A weliswaar krachtens subrogatie een verhaalsvordering voor dat bedrag jegens B, maar B kan zich dan niettegenstaande de subrogatie op verrekening beroepen. Doet hij dat, dan brengt de verrekeningsverklaring mee dat de schuld van B aan C ter grootte van € 250.000 gedeeltelijk door verrekening tenietgaat (art. 6:127 lid 1 BW), zodat nog slechts een vordering van C op B van(€ 250.000 - € 100.000 =) € 150.000 resteert.
Het verschil in inroepbaarheid van verrekening doet zich met name gelden indien de verhaalsvordering krachtens subrogatie met een recht van pand of hypotheek is versterkt. Kon A zich tegenover B beroepen op een recht van pand of hypotheek dat mede diende tot zekerheid van nakoming van B’s verplichtingen jegens A, dan gaat dit recht van pand of hypotheek mee over indien C de volledige schuld aan A voldoet (art. 3:7 jo. 82 BW en art. 6:142 BW). C verkrijgt in dat geval een verhaalsvordering van € 250.000 jegens B, dat met dit zekerheidsrecht is versterkt. Kan B zich op de voet van art. 6:130 lid 1 BW jegens C beroepen op zijn reeds vóór de overgang bestaande verrekeningsbevoegdheid jegens A (in dit geval voor een bedrag van € 100.000), dan heeft dit tot gevolg dat het bedrag waarvoor C zich van een zekerheidsrecht kan bedienen afneemt tot € 150.000 (en niet tot € 250.000).
Indien de verhaalzoekende medeschuldenaar zijn verhaal krachtens subrogatie (geheel of gedeeltelijk) ziet afstuiten op de verrekeningsbevoegdheid van de schuldenaar jegens wie hij verhaal zoekt, is daardoor een vermogensverschuiving opgetreden tussen hem en de schuldeiser. De verrijking bestaat niet in het door de schuldeiser van de presterende schuldenaar ontvangen bedrag, maar in het tenietgaan van diens schuld aan de schuldenaar die tot verrekening bevoegd was. De verrekening door de schuldenaar jegens wie het verhaal zich richt, heeft immers tot gevolg dat zijn vordering op de schuldeiser tenietgaat; de schuldeiser is in zoverre bevrijd (art. 6:130 lid 1 j. 6:127 lid 1 BW). De verarming van de verhaalzoekende medeschuldenaar bestaat erin dat hij blijft zitten met een ‘gat’ ter grootte van datzelfde bedrag, omdat zijn verhaalsvordering krachtens subrogatie deels afstuit op verrekening. Naar ik meen, bestaat voor deze vermogensverschuiving onvoldoende grond, kan zij door middel van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ongedaan worden gemaakt (art. 6:212 BW).13
De door B jegens C uitgebrachte verrekeningsverklaring heeft niet alleen tot gevolg dat de schuld van B aan C ter grootte van € 250.000 gedeeltelijk door verrekening tenietgaat (art. 6:127 lid 1 BW), maar ook dat A’s schuld aan B (ter grootte van € 100.000) tenietgaat. Voor C vormt dit bedrag het ‘gat’ tussen het bedrag dat hij aan A betaalde, en het bedrag waarvoor hij bij zijn 100% draagplichtige medeschuldenaar B verhaal vindt. C heeft jegens A een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, voor zover A’s schuld aan B door het beroep op verrekening teniet is gegaan (A’s verrijking) en C geen verhaal vindt bij B (C’s verarming).
De samenloop met het wettelijk regresrecht zorgt hier overigens wel voor hoofdbrekens. Wat te denken van een beroep door de verhaalzoekende medeschuldenaar op enkel zijn regresvordering, waarna de aangesproken schuldenaar zich verweert met een beroep op verrekening met de verhaalsvordering krachtens subrogatie? Ik moet het antwoord hier schuldig blijven.