Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.2
4.3.4.2 Het begrip ‘overdragen’
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499121:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Eenvoudshalve acht ik de begrippen ‘overdragen’ en ‘overdracht’ uitwisselbaar.
De overgang onder algemene titel tussen ondernemers zal in de praktijk veelal onder de werking van art. 37d Wet OB 1968 (de overgang van een algemeenheid van goederen) vallen, waarbij de overnemer krachtens die bepaling reeds – wat mij betreft ook voor toepassing van art. 29 Wet OB 1968 – in de plaats treedt van de overdrager. Zie over fusies en overnames uitgebreid Cornielje 2016, hoofdstuk 7.
Subrogatie vormt daarmee een directe tegenhanger van de overdracht c.q. cessie van een vordering. Hierbij moet meteen worden opgemerkt dat ik eerder betoogd heb dat de vordering door subrogatie voor btw-doeleinden geacht moet worden te zijn betaald. Dit heeft tot gevolg dat art. 29 Wet OB 1968 in die gevallen toepassing zou missen en de overnemer dus geen beroep openstaat op een recht op teruggaaf wanneer de vordering op de schuldenaar oninbaar blijkt. Hiertegen kan weer worden ingebracht dat de staatssecretaris van Financiën blijkens het factoorsbesluit subrogatie wel lijkt aan te merken als een vorm van overdracht van een vordering en bovendien lijkt te accepteren dat de crediteur op die grond wel een beroep op art. 29 Wet OB 1968 openstaat. Zie ook HR 16 oktober 2009, BNB 2009/314 (besproken in paragraaf 4.3.1.1.1).
Economische eigendom is geen in het BW geregeld begrip. Het begrip ‘economische overdracht’ komt vooral voor in het fiscale recht, in het bijzonder in de overdrachtsbelasting (art. 2 lid 2 WBR). Zie ook De Vries 2004.
Zie onder meer art. 2a lid 1 onderdeel r Wet OB 1968 en art. 24 lid 2 Btw-richtlijn (definitie van telecommunicatiediensten), art. 3 lid 1 en lid 2 Wet OB 1968 en art. 14 lid 1 Btw-richtlijn (leveringsbegrip), art. 6i overdracht en art. 56 lid 1 onderdeel a Btw-richtlijn (plaats van dienst verlenen van auteursrechten), art. 28k en art. 346 Btw-richtlijn (vrijstelling voor beleggingsgoud) en art. 37d en art. 19 en 29 Btw-richtlijn (overdracht van een onderneming). Zie bijvoorbeeld ook art. 311 lid 1 onderdelen 6 en 7 Btw-richtlijn (definities bij verkoop via een openbare veiling).
Ik doel hiermee op de btw-technische definitie. Civielrechtelijk zou men eerder spreken van ‘zaken’ (art. 3:2 BW).
HvJ 8 februari 1990, nr. C-320/88, BNB 1990/271 (SAFE).
De nieuwe regeling is beperkt tot de gehele of gedeeltelijke ‘overdracht’1 van een vordering. Uit de parlementaire geschiedenis kan niet worden opgemaakt wat onder dit begrip moet worden verstaan. Het is daarom niet duidelijk of de wetgever de indeplaatstreding heeft willen beperken tot gevallen waarin een vordering krachtens het civiele recht wordt overgedragen (art. 3:83 e.v. BW) of dat bijvoorbeeld ook de andere wijzen van overgang van vorderingen onder de werking van de regeling moeten worden geschaard. Hierbij valt te denken aan de overgang onder algemene titel of subrogatie. Bij een overgang onder algemene titel doel ik op de ‘verkrijging’ van een vordering krachtens erfrecht, boedelmenging, fusie of splitsing (art. 3:80 lid 2 BW).2 Subrogatie is – zoals reeds beschreven in paragraaf 4.3.1.1.1 – de rechtsfiguur waarbij een derde in de plaats treedt van de oorspronkelijke schuldeiser, doordat deze derde de schuld van de schuldenaar aan deze schuldeiser voldoet.3 Daarnaast denk ik aan de economische overdracht. Hiermee doel ik op de situatie waarin een vordering economisch aan een derde wordt overgedragen (en deze derde alle vruchten plukt en risico’s loopt, zoals het risico van waardeverandering), maar waarbij de juridische gerechtigdheid achterblijft bij de vervreemder.4
Het heeft mijn voorkeur om voor de betekenis van het begrip ‘overdragen’ aansluiting te zoeken bij de definitie ervan in andere bepalingen. Het begrip ‘overdracht’ komt namelijk op meerdere plaatsen in de Wet OB 1968 en Btw-richtlijn voor.5 Het leveringsbegrip uit art. 3 Wet OB 1968 spreekt wat mij betreft het meest tot de verbeelding. Op grond van lid 1 onderdeel a van deze bepaling wordt onder de levering van een goed6 verstaan ‘de overdracht of overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken’. Hoewel deze bepaling betrekking heeft op goederen, kan het mijns inziens geen kwaad een parallel te trekken naar de overdracht van vermogensrechten (zoals vorderingen). Art. 25 onderdeel a Btw-richtlijn vermeldt immers expliciet dat onder een dienst tevens moet worden verstaan de overdracht van een onlichamelijke zaak, ongeacht of deze al dan niet in een titel is belichaamd. Met het leveringsbegrip van art. 3 Wet OB 1968 heeft de wetgever in ieder geval beoogd de civielrechtelijke overdracht in de heffing te betrekken. Maar de reikwijdte is breder dan dat. Binnen de fiscale definitie is een civielrechtelijke overdracht namelijk niet vereist om tot een overdracht te concluderen. Ook de overgang van de feitelijke beschikkingsmacht valt onder dit begrip. Dit volgt onder meer uit het SAFE-arrest,7 waarin werd overwogen dat het begrip ‘levering van een goed’ niet verwijst naar de eigendomsoverdracht in het nationale recht, maar elke ‘overdrachtshandeling’ van een ‘lichamelijke zaak’ omvat, die de verkrijger in staat stelt daadwerkelijk daarover te beschikken als ware zij daarvan eigenaar. Derhalve kan ook de overgang onder algemene titel of de economische overdracht onder het fiscale overdrachtsbegrip worden geschaard. Door te accepteren dat art. 29 lid 6 Wet OB 1968 een breder toepassingsbereik heeft dan enkel de civielrechtelijke overdracht, wordt voorkomen dat in gevallen waarin de feitelijke beschikkingsmacht over het vorderingsrecht overgaat op een ander, zonder dat sprake is van een civieljuridische overdracht, de overnemer geen recht op teruggaaf toekomt wanneer de betreffende vordering niet kan worden geïnd. Zodoende zouden de administratieve lasten van het bedrijfsleven en de uitvoeringskosten van de Belastingdienst verder kunnen worden teruggedrongen en doet bedoelde interpretatie het meest recht aan de (sub)doelstelling van de regeling.