De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.2.3.3:5.2.3.3 Rechtsverhouding tussen de leerling en het bevoegd gezag
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.2.3.3
5.2.3.3 Rechtsverhouding tussen de leerling en het bevoegd gezag
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949430:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is uiteengezet dat tussen de leerling en de leraar een legitieme gezagsverhouding bestaat. Tussen de leraar en de leerling bestaat geen directe juridische verhouding. De leerling schrijft zich immers bij het bevoegd gezag in voor het volgen van onderwijs. Daarmee gaan het bevoegd gezag en de leerling een rechtsverhouding met elkaar aan. De leraar maakt indirect onderdeel uit van die verhouding. De leraar is immers een werknemer van het bevoegd gezag en verhoudt zich in die hoedanigheid tot de leerling. Juridisch aanspreekpunt is evenwel het bevoegd gezag. Over de wijze waarop de rechtsverhouding tussen de leerling en het bevoegd gezag is vormgegeven bestaat in de literatuur, wetgeving en jurisprudentie onduidelijkheid.1 Onder meer Noorlander2, Zoontjens en Vermeulen3 en Voskamp 4 zijn uitgebreid ingegaan op de vraag hoe de rechtsverhouding tussen het bevoegd gezag en de leerling precies gekwalificeerd moet worden. Hier wordt daar niet nader op ingegaan. Centraal in dit hoofdstuk staat immers de relatie tussen de leerling en de leraar.
Hoewel niet duidelijk is of de verhouding tussen het bevoegd gezag en de leerling wordt gekwalificeerd als een privaatrechtelijke onderwijsovereenkomst, een publiekrechtelijke rechtsverhouding, een overeenkomst sui generis of een splitsbare rechtsverhouding, is wel duidelijk dat het zwaartepunt in deze verhouding wordt gevormd door de onderwijswetgeving.5 Uit deze wetten vloeien tal van verplichtingen en bevoegdheden voort voor het bevoegd gezag, zoals de plicht om te zorgen voor kwalitatief goed onderwijs. Ook vloeit uit deze wet deels voort hoe de examens afgenomen en beoordeeld moeten worden. De onderwijswetten vullen dan ook deels de rechtsverhouding tussen het bevoegd gezag en de leerling nader in. Daarnaast gaan het beleid en de regels van het bevoegd gezag, mits deze aan de leerling of zijn ouders zijn verstrekt, onderdeel uitmaken van deze rechtsverhouding. Het bevoegd gezag moet zich jegens de leerling dan ook houden aan de onderwijswetten en zijn eigen beleid en regels. De leerling is niet direct gebonden aan de onderwijswetten. Zoals uiteengezet in § 4.2 is het bevoegd gezag de normadressaat van de onderwijswetten. De leerling kan uit de onderwijswetten wel rechten ontlenen en daar een beroep op doen bij het bevoegd gezag. Wel dient de leerling zich te houden aan de regels die zijn gesteld door het bevoegd gezag. Met de inschrijving bij de school onderwerpt de leerling zich immers aan bijvoorbeeld de gedragsregels en de regels over examens van de school.