Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.5
3.5 Staatscommissies voor middelbaar en hoger onderwijs 1828-1829
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977047:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
KB van 17 juni 1826, Stb. 1826, nr. 169.
Handelingen II 1854/55, p. 47 (Rapport-Alma); E. Heldring, Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954), Groningen: Joh. de Vries 1970, dl 1, p. 52.
Culturele instrumentele vaardigheden zijn taal, rekenen, lezen en schrijven.
Hier is sprake van wetskennis en niet van staatsinrichting.
Toen ook al als noodzakelijk geoordeeld. Vgl. St. Glasbergen, ‘Geef ook vmbo-leerling veel meer geschiedenisles’, Trouw Opinie,13 januari 2023 (‘Geschiedenis zorgt voor de benodigde mensenkennis’).
Staatscommissie-Van Ursel over voorstellen tot wijziging van het middelbaar onderwijs, ingesteld bij KB van 19 februari 1829, Stb. 1829, nr. 4; vgl. W. Sleumer Tzn 1938, p. 16-17 en M. Groen, Maatschappelijke bevoegdheid. De wetgeving, Eindhoven: TH 1985, p. 38.
Handelingen II 1854/55, p. 47; vgl. Duyverman 1936, p. 4-5.
M. Groen, Het wetenschappelijk onderwijs in Nederland van 1815-1980: een onderwijskundig overzicht, Eindhoven: TH 1982, p. 14-18 (ULO 1827-1876), p. 18-25 (MO-bevoegdheden), p. 25-30 (ULO 1976-1952,1955-1982); vgl.: J.R. Thorbecke, Over het bestuur van het onderwijs in betrekking tot eene aanstaande wetgeving, Zutphen: Wansleven 1829.
Staatscommissie Reorganisatie hooger onderwijs 1828: wetskennis
Na de mogelijkheid vanaf 1826 om industriescholen op te richten1, is het doel van middelbaar onderwijs, volgens de Staatscommissie-Reorganisatie hooger onderwijs in 1828, ‘het verkrijgen van kundigheden voor hen, die in de bedrijven werken zonder de noodzaak om wetenschappelijke kennis te bezitten en geen eigenlijk gezegd geleerd onderwijs behoeven’.2 De Staatscommissie is gevraagd de vakken aan te wijzen die op het gymnasium naast de klassieke talen, wiskunde, aardrijkskunde en geschiedenis nodig zijn. De commisie acht voor de beschaafde burger de kundigheden van het lager onderwijs3 en wetskennis vereist.4 Vaderlandsche geschiedenis dient verplicht te zijn.5
Staatscommissie-Van Ursel 1829: middelbaar onderwijs als nuttige vorming
De in 1829 ingestelde Staatscommissie-Van Ursel6 omschrijft als doel van middelbaar onderwijs ‘het mededelen van nuttige kundigheden aan hen die zich bestemmen tot handel en nijverheid’.7 Na de drie in korte tijd ingestelde Staatscommissies zou men de instelling van één breed samengestelde Staatscommissie vermoeden, zoals de Staatscommissie-Van Swinden (1808). Die blijft evenwel uit. In 1829 verschijnt een - reeds in 1830 ingetrokken - daartoe strekkend ontwerp met een verwijzing naar middelbaar onderwijs, zoals in de Grondwetten van 1814 en 1815 vermeld.8