Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.3.6
6.3.6 Opgeven van de bedoeling van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950315:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, i.h.b. § 5.2.
Vermeij 2022, p. 783; Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/45 en Van Schaick 2009, p. 132 menen van wel. Kennelijk ook Linssen 1993, p. 168 en Hof Den Haag 1 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2370, r.o. 10 en Rb. Rotterdam 1 juni 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:4312, r.o. 4.2. Stolp 2011, p. 157-158, meent van niet. Met Stolp ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/56.
Zie § 5.3.
HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2519, NJ 1998/169 (Kloth/Stripac), r.o. 3.5. Zie ook HR 23 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1453, NJ 1995/26 (Dinjens/Visser), r.o. 3.4, waarin de Hoge Raad nog overwoog dat dit ‘in beginsel voldoende’ is en niet toevoegde de frase ‘en dat hij in dat geval ook zijnerzijds zal nakomen’. Zie ook § 7.3. Zie kennelijk anders Rb. Rotterdam 12 augustus 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9029, r.o. 4.2.
Zie ook § 2.5.2. Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/36; Asser/Sieburgh 6-III 2022/714 en Asser/Hijma 7-I 2019/564. Zie bijv. Rb. Noord-Holland 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:8952, r.o. 5.6 (“Ik betaal niet voordat het is opgelost.”).
Zie § 7.4.
Vgl. bijv. ook Hof ’s-Hertogenbosch 6 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1841, r.o. 3.7, waarin de schuldenaar niet duidelijk maakte waarom hij zijn nakomingsverplichting uitstelde, maar veeleer afstel van zijn nakomingsverplichting leek te beogen. Vgl. tevens Hof Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:572, r.o. 2.32 waarin de schuldenaar niet duidelijk maakte wat hij verwachtte van zijn wederpartij en haar aldus niet in staat stelde om aan de opschorting een einde te maken (art. 6:54 aanhef en onderdeel a BW, zie § 2.8).
En drie anderen, die ik voor de leesbaarheid achterwege laat.
HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9413, NJ 2004/51 (Ankara Export/Öz-Et Tarim), r.o. 4.6 van ’s hofs uitspraak.
HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9413, NJ 2004/51 (Ankara Export/Öz-Et Tarim), r.o. 3.3. Zie kennelijk anders Hof ’s-Hertogenbosch 15 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5479, r.o. 4.14.5 (“Ook al is voor een geslaagd beroep op een opschortingsrecht verzuim niet vereist en volstaat opeisbaarheid, indien het bestaan van de tegenvordering zowel in als buiten rechte gemotiveerd betwist wordt, dient toch aan de wederpartij op niet mis te verstane wijze duidelijk [te worden] gemaakt wat van die wederpartij wordt verwacht, en wanneer, vooraleer men zich op een opschortingsrecht kan beroepen op de grond dat de wederpartij zijn verplichtingen niet heeft nageleefd.”). Zie in dezelfde zin, met verwijzing naar dit arrest, Rb. Zeeland-West-Brabant 16 maart 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:1545, r.o. 4.5.
Zie § 2.5.3.
Behoudens de onmogelijkheid van nakoming voor de wederpartij, omdat het Ankara Export dan aan een opschortingsbevoegdheid ontbreekt (§ 3.4.6).
Vgl. het geval waarin de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis opschort met de gedachte een verrekeningsverklaring te zullen gaan uitbrengen, maar partijen een verrekeningsverbod zijn overeengekomen (§ 2.6).
Vermeij 2022, p. 783, meent dat de schuldenaar op enig moment duidelijk zal moeten maken welke juridische gevolgen hij aan het niet nakomen van een verplichting verbindt: nakoming, ontbinding en/of schadevergoeding. Van Schaick 2009, p. 132, meent dat uit het arrest Ankara Export/Öz-Et Tarim volgt dat als een mededelingsplicht bestaat, die mededeling (steeds) tevens moet inhouden wat de schuldenaar in het kader van de uitoefening van het opschortingsrecht voor ogen staat. Stolp 2011, p. 157-158, meent dat dit arrest geen nadere regels stelt voor de kenbaarheid van de opschorting en de inhoud van de eventuele mededelingsplicht. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/56 sluit zich aan bij Stolp, maar lijkt wel een iets genuanceerdere benadering voor te staan waar hij opmerkt dat uit dit arrest niet moet worden afgeleid dat ‘steeds’ het doel van de opschorting moeten worden kenbaar gemaakt. Zo ook Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/22.2, die aanvankelijk mogelijk – Stolp 2011, p. 157, voetnoot 16 meent van wel – van een andere lezing uitging (Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2006/22 onderdeel 4 (a) in samenhang met 11 onderdeel 1).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 207.
De schuldenaar zal moeten meedelen dat hij de nakoming van zijn verbintenis opschort. Onder omstandigheden kan de schuldenaar gehouden zijn een uitdrukkelijke opschortingsverklaring over te brengen en toe te lichten waar hij het door hem gepretendeerde opschortingsrecht op baseert.1 Enige discussie bestaat over de vraag of de schuldenaar tevens duidelijk moet maken wat hij met de uitoefening van zijn opschortingsrecht wenst te bewerkstelligen.2 Ik denk dat de schuldenaar daartoe gehouden kan zijn, omdat de kenbaarheid van de opschorting aan de wederpartij ook de functie heeft haar te helpen haar standpunt te bepalen in reactie op de uitoefening van een opschortingsrecht.3 Het niet verschaffen van duidelijkheid daarover kan tot de conclusie leiden dat de verdere uitoefening van het algemene opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, als het aan de doelmatigheid van deze uitoefening in de weg staat.
Voor een beroep op een opschortingsrecht is voldoende dat de schuldenaar duidelijk maakt dat hij verlangt dat zijn wederpartij alsnog behoorlijk nakomt en dat hij in dat geval ook zal nakomen.4 Voldoende is dus dat duidelijk is dat de schuldenaar een op zichzelf mogelijke nakoming niet afstelt maar uitstelt, totdat zijn wederpartij harerzijds is nagekomen.5 De schuldenaar behoeft geen eis in te stellen.6 De wederpartij aan wie kenbaar is dat en waarom de schuldenaar vooralsnog niet nakomt, is in beginsel ook ermee bekend dat die schuldenaar haar met die opschorting beoogt tot nakoming te bewegen. De wederpartij kan dan de vordering – en daarmee het opschortingsrecht – betwisten, dan wel de vordering nakomen of voor de voldoening daarvan zekerheid stellen (art. 6:55 BW). Onder omstandigheden kan onduidelijkheid bestaan over de vraag wat de schuldenaar met de uitoefening van zijn opschortingsrecht beoogt, bijvoorbeeld als de schuldenaar zijn wederpartij een wanprestatie verwijt en de keuze heeft tussen nakoming, schadevergoeding of ontbinding of een samenloop daarvan. Een dergelijke situatie lijkt zich voor te doen in het arrest Ankara Export/Öz-Et Tarim.7
Ankara Export8 kocht van Öz-Et Tarim potten honing. Öz-Et Tarim garandeerde dat als de honing binnen een jaar zou versuikeren, deze door haar zou worden vervangen. In cassatie staat vast dat Ankara Export in twee tranches een deel van de totale koopprijs heeft betaald en, omdat de honing was versuikerd, aanvankelijk aanspraak heeft gemaakt op vervanging. In conventie vorderde Öz-Et Tarim betaling van het restant van de koopprijs. Ankara Export vorderde in reconventie ontbinding van de koopovereenkomst en terugbetaling van de tweede tranche. Het hof oordeelde dat niet aan de orde kwam de vraag of Ankara Export bevoegd was tot opschorting van de betaling in afwachting van vervanging van de honing, ‘aangezien voor een geslaagd beroep op opschorting, indien al in dit geval mogelijk, minstgenomen vereist zou zijn geweest dat Ankara Export in niet mis te verstane bewoordingen aanspraak had gemaakt op vervanging’.9 Over dit oordeel klaagde het cassatiemiddel terecht:
“Voor een geslaagd beroep op opschorting is immers voldoende dat de opschortende partij duidelijk heeft gemaakt wat de reden van de opschorting is en wat zij verder met betrekking tot de wanprestatie en de overeenkomst wenst. Indien het hof (…) heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat Ankara c.s. aan de zo-even vermelde maatstaf niet hebben voldaan, is zulks zonder nadere motivering onbegrijpelijk omdat duidelijk was dat Ankara c.s. aanvankelijk vervanging van de versuikerde honing en dus nakoming wensten. Ankara c.s. hebben Öz-Et Tarim immers op de hoogte gebracht van de versuikering van de honing en hebben vervolgens, naar aanleiding van een bezoek van de vertegenwoordiger van Öz-Et Tarim, een deel (USD 30 000) van de koopprijs betaald.”10
In deze overweging komt eerst tot uitdrukking dat de schuldenaar – zo nodig – duidelijk moet maken dat en waarom hij opschort. De Hoge Raad overwoog niet dat de schuldenaar duidelijk moet maken dat hij verlangt dat zijn wederpartij alsnog behoorlijk nakomt, zoals de Hoge Raad dat eerder wel heeft overwogen. De Hoge Raad verwees ook niet naar zijn eerdere rechtspraak. Toch denk ik dat de overweging dat de schuldenaar ook duidelijk dient te maken wat hij verder met betrekking tot de wanprestatie én de overeenkomst wenst, wel in verband kan worden gebracht met de uitoefening van het algemene opschortingsrecht en in lijn is met die eerdere rechtspraak.
Buiten rechte verlangde Ankara Export nog nakoming (vervanging), maar in rechte vorderde zij inmiddels ontbinding. Op zichzelf staat deze tournure aan de voortzetting van de uitoefening van het opschortingsrecht niet in de weg, omdat een opschorting ook een inleiding tot ontbinding kan zijn of worden.11 Voor Ankara Export maakt het niet of nauwelijks verschil of zij opschort ter verkrijging van nakoming, dan wel met het oog op eventuele ontbinding, en of nakoming of ontbinding haalbaar zijn.12 Zij meent haar verbintenis vooralsnog niet te hoeven nakomen en beoogt daarmee onder meer haar wederpartij tot nakoming te bewegen.13 Dat ligt anders voor Öz-Et Tarim. De uiteindelijke bedoeling van Ankara Export heeft niet alleen effect op het onderzoek van Öz-Et Tarim naar de gegrondheid van de gepretendeerde vordering (‘niet-nakoming van’ tegenover ‘tekortkoming in de vervangingsverplichting’), maar ook op de vraag waartegen zij zich eventueel heeft te verweren. Voor het bepalen van haar standpunt in reactie op het beroep op een opschortingsrecht, wat ook een berusting in de opschorting en een eventuele ontbinding kan zijn, is daarom relevant te weten wat Ankara Export met betrekking tot de wanprestatie en de overeenkomst wenst. In dergelijke omstandigheden kan de schuldenaar gehouden zijn daarover de gewenste duidelijkheid te verschaffen.14 Wanneer de schuldenaar daarover geen duidelijkheid verschaft, kan dit onder omstandigheden tot de conclusie leiden dat de verdere uitoefening van zijn opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is:
“Voorts kan, in de gevallen waarin daaraan behoefte is, de schuldeiser op de hier bedoelde bepalingen de eis baseren dat de schuldenaar jegens hem een duidelijk beroep doet op de gepretendeerde tegenvordering en hem de gegevens verschaft die hij nodig heeft om de gegrondheid van deze pretentie te beoordelen. Voldoet de schuldenaar niet aan deze eis in de omstandigheden waarin dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan zal hij zijn bevoegdheid tot opschorting verliezen. Men denke aan het geval dat een huurder van een woning de betaling van de huur opschort met de mededeling dat het dak lekt, maar vervolgens weigert om de verhuurder op diens verzoek toe te laten om de lekkage te onderzoeken en de nodige maatregelen te nemen.”15
Het arrest Ankara Export/Öz-Et Tarim is mijns inziens in lijn met de hiervoor genoemde eerdere rechtspraak van de Hoge Raad. Voor Ankara Export was nakoming door partijen niet meer aan de orde, omdat zij in rechte inmiddels aanstuurde op ontbinding. De regel dat de schuldenaar duidelijk te kennen heeft te geven dat hij behoorlijke nakoming verlangt en dan zelf ook zal nakomen, zou daarom verwarring hebben kunnen wekken. Deze regel behelst echter evenzeer dat de bedoeling van de uitoefening van het opschortingsrecht aan de schuldeiser duidelijk moet zijn.