Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.1.3
11.1.3 Mensenrechten en kleine rechtshulp of overdracht van strafvervolging
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS450996:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. EHRM 27 juni 2000, 43286/98 (Echeverri Rodriguez/Nederland; NJ 2002, 102 m.nt. Schalken).
EHRM 27 juni 2000, 43286/98 (Echeverri Rodriguez/Nederland; NJ 2002, 102 m.nt. Schalken).
Anders: S. Brinkhoff, Startinformatie in het strafproces (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 268.
EHRM 27 juni 2000, 43286/98 (Echeverri Rodriguez/Nederland; NJ 2002, 102 m.nt. Schalken).
HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169 m.nt. Schalken, 4.4.1.
Zie HR 29 september 1987, NJ 1988, 302 en HR 25 juni 1996, NJ 1996, 715, r.o. 6.1-.6.5.
Art. 539a Sv maakt een dergelijk extra-territoriaal optreden mogelijk.
EHRM 27 oktober 2011, 25303/08 (Stojkovic/Frankrijk en België; EHRC 2012, 23 m.nt. Ölçer). Zie ook S. Gless, ‘Transnational Cooperation in Criminal Matters and the Guarantee of a Fair Trial: Approaches to a General Principle’, Utrecht Law Review 2013-4, p. 90-108, 93-94.
EHRM 27 oktober 2011, 25303/08 (Stojkovic/Frankrijk en België; EHRC 2012, 23 m.nt. Ölçer), par. 38-40.
EHRM 27 oktober 2011, 25303/08 (Stojkovic/Frankrijk en België; EHRC 2012, 23 m.nt. Ölçer), par. 38.
EHRM 27 oktober 2011, 25303/08 (Stojkovic/Frankrijk en België; EHRC 2012, 23 m.nt. Ölçer), par. 37.
EHRM 27 oktober 2011, 25303/08 (Stojkovic/Frankrijk en België; EHRC 2012, 23 m.nt. Ölçer), par. 41-43.
EHRM 27 oktober 2011, 25303/08 (Stojkovic/Frankrijk en België; EHRC 2012, 23 m.nt. Ölçer), par. 51-57.
Algemene benadering
De normen die het gebruik van in het buitenland vergaard bewijsmateriaal beheersen zijn minder eenduidig dan de hiervoor geschetste kaders die gelden bij het ‘overdragen’ van een persoon aan een andere staat en bij het ‘overnemen’ van een strafrechtelijk vonnis uit een andere staat. Dat wordt vooral veroorzaakt door de verschillende situaties die zich kunnen voordoen en de verschillende wijzen waarop materiaal uit het buitenland kan worden gebruikt. Zo kan het gaan om vergaring van bewijsmateriaal op verzoek van de andere staat, maar ook om spontaan overgedragen materiaal, bijvoorbeeld indien in een strafrechtelijk onderzoek naar een bepaald feit in een bepaalde staat als ‘bijvangst’ bewijs wordt vergaard van een geheel ander feit in een andere staat. Er kan sprake zijn van opsporing door of onder verantwoordelijkheid van autoriteiten van de ene staat op het grondgebied van een andere staat. Het verdrag dat de samenwerking regelt kan bepalen dat het recht van de verzoekende staat van toepassing is, maar ook dat juist het recht van de aangezochte staat van toepassing is. Het materiaal kan daadwerkelijk als bewijs in een strafprocedure worden gebruikt, maar ook (slechts) als startinformatie met behulp waarvan wordt door gerechercheerd en ander bewijsmateriaal wordt vergaard. Deze verschillen zijn relevant voor de verantwoordelijkheid die vanuit het EVRM op elk van de bij de samenwerking betrokken staten rust.
Het vertrekpunt voor het EHRM is dat
‘questions concerning the admissibility of evidence are primarily a matter for regulation by national law and as a general rule it is for the national courts to assess the evidence before them as well as the relevance of the evidence, which a defendant seeks to adduce’
en dat
‘[t]he task of the Court under the Convention is to ascertain whether the proceedings as a whole, including the way in which evidence was taken, were fair’.1
Voor wat betreft het onderscheid tussen startinformatie en het verdere gebruik van bewijs afkomstig uit het buitenland overweegt het EHRM in het hiervoor aangehaalde arrest-Echeverri Rodriguez dat
‘the Convention does not preclude reliance, at the investigating stage, on information obtained by the investigating authorities from sources such as foreign criminal investigations.’2
Het gebruik van materiaal uit het buitenland als startinformatie is derhalve onproblematisch, ook – zo lijkt het Hof te zeggen gelet op de hierna aan te halen overweging – als aan de verkrijging van die informatie in het buitenland gebreken kleven.3 Hier is een zekere, door het EHRM gesanctioneerde werking van het vertrouwensbeginsel waar te nemen: het is geoorloofd om bij startinformatie te vertrouwen op informatie uit het buitenland en af te zien van toetsing. Dat is anders als het bewijs uit het buitenland vervolgens als bewijs wordt ingebracht in de strafprocedure:
‘Nevertheless, the subsequent use of such information can raise issues under the Convention where there are reasons to assume that in this foreign investigation defence rights guaranteed in the Convention have been disrespected’.4
Uit deze overweging kan worden opgemaakt dat het gebruik van bewijsmateriaal afkomstig uit het buitenland weliswaar vragen van mensenrechtelijke aard kan oproepen, maar dat dit beperkt blijft tot een beoordeling van het recht op een eerlijk proces en dan nog slechts voor zover er redenen zijn, al dan niet door de verdediging aangedragen, om eraan te twijfelen dat recht is gedaan aan artikel 6 EVRM. Waar het om het recht op een eerlijk proces gaat, beperkt het EVRM de rol die het vertrouwensbeginsel kan spelen. Daaraan lijkt, gelet op de eerder geschetste jurisprudentie van het Hof aangaande uitlevering en overname van strafvonnissen, te moeten worden toegevoegd dat niet elke inbreuk op artikel 6 EVRM ertoe leidt dat, bijvoorbeeld, het vergaarde materiaal niet kan worden gebruikt. Wel is van belang dat men zich realiseert dat bij uitlevering en overname van een strafvonnis ‘het strafproces’ dat al met al eerlijk behoort te zijn, niet plaatsvindt of heeft plaatsgevonden in de staat die de opgeëiste persoon (al dan niet) uitlevert c.q. de staat die het veroordelend vonnis (al dan niet) overneemt. Bij kleine rechtshulp of overname van strafvervolging is dat anders: de staat die bewijsmateriaal uit een andere staat overgedragen krijgt, berecht zelf de verdachte en draagt uiteindelijk dus (ten minste: mede) de verantwoordelijkheid voor de eerlijkheid van de strafprocedure. Al met al zal de rechter in de staat van berechting dus wel moeten
‘waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM’,
zoals de Hoge Raad met juistheid overwoog in zijn overzichtsarrest van 5 oktober 2010.5
Dit kader, waarin enkel wordt getoetst of de procedure as a whole eerlijk is geweest, geldt zowel in het geval van op verzoek van de staat van berechting vergaard bewijsmateriaal als in het geval van spontaan overgedragen materiaal. Voor de volledigheid moet worden opgemerkt dat in het eerste geval bij berechting in Nederland wel ook dient te worden getoetst of naar Nederlands recht was voldaan aan de voorwaarden om een bepaalde vorm van rechtshulp te verzoeken. Wordt bijvoorbeeld om een doorzoeking gevraagd, dan moet aan de voorwaarden voor het aanwenden van dat dwangmiddel naar Nederlands recht zijn voldaan.6
Opsporing (mede) onder verantwoordelijkheid autoriteiten verzoekende staat
De mensenrechtelijke verantwoordelijkheid is echter anders indien de opsporing plaatsvindt (mede) onder verantwoordelijkheid van de verzoekende autoriteiten. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de opsporing door bijvoorbeeld Nederlandse opsporingsambtenaren op het grondgebied van de vreemde staat.7 Gelet op de jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder het arrest-Stojkovic,8 beperkt zich de verantwoordelijkheid voor het garanderen van de mensenrechten echter niet tot dat geval. Het principiële karakter van dat arrest rechtvaardigt een uitgebreidere bespreking ervan.
In het arrest-Stojkovic was sprake van rechtshulpverlening door België aan en op verzoek van Frankrijk. Het ging om het horen van Stojkovic als ‘geassisteerde getuige’, een getuige met rechtsbijstand. Stojkovic, die in België gedetineerd was, werd gehoord in het bijzijn van de Franse autoriteiten, maar, ondanks een verzoek daartoe, zonder rechtsbijstand. Tijdens zijn verhoor legde Stojkovic bekennende verklaringen af. Mede op basis van die verklaringen wordt Stojkovic later in Frankrijk veroordeeld. Dat levert volgens het EHRM een ‘Salduz-probleem’ op.
Een centrale vraag in dit arrest betreft de verantwoordelijkheid van Frankrijk als verzoekende staat en staat van berechting en van België als aangezochte staat. Het EHRM acht beide staten verantwoordelijk. De schending door België ziet het EHRM niet als een voortgezette schending, maar als een incident op de dagen van het verhoor, hetgeen uiteindelijk tot de niet-ontvankelijkheid van de klacht tegen België leidt.9 Aan het principiële oordeel dat Stojkovic zich in de jurisdictie van België bevond, dat ingevolge artikel 3 ERV op België de plicht rustte om volgens haar wetgeving uitvoering te geven aan het rechtshulpverzoek en de schending is veroorzaakt door de ontoereikende wetgeving van België op het punt van rechtsbijstand bij het verhoor van een getuige als de onderhavige, en derhalve aan de mede door België gedragen verantwoordelijkheid bij rechtshulp op verzoek van een andere staat, doet dit evenwel niet af.10
Het EHRM acht evenwel ook Frankrijk verantwoordelijk. Deze verantwoordelijkheid vindt haar oorsprong in de verantwoordelijkheid voor de extraterritoriale effecten van de handelingen van organen van de staat:
‘La Cour rappelle que si, en application de l’article 1 de la Convention, il appartient aux Hautes Parties contractantes d’assurer le respect des droits garantis par la Convention et ses Protocoles au profit des personnes relevant de leur juridiction, cette responsabilité pEU-t entrer en jEU à l’occasion d’actes émanant de leurs organes mais déployant leurs effets en dehors de leur territoire’.11
Het Hof komt in de paragrafen 41 tot en met 43 tot de slotsom dat gelet op alle omstandigheden van het geval in casu sprake is van dergelijke territoriale jurisdictie. Van belang zijn met name de omstandigheden dat de Franse autoriteiten bij het verhoor aanwezig zijn geweest en de verklaringen later in Frankrijk bij de vervolging van Stojkovic zijn gebruikt. De aanwezige Franse rechter-commissaris had de Belgische autoriteiten er aan moeten herinneren dat was verzocht Stojkovic van rechtsbijstand te voorzien, te meer omdat Stojkovic daarom had verzocht. Ook de omstandigheid dat pas zeven maanden later door de Franse justitie aan Stojkovic een advocaat werd toegevoegd weegt mee. Frankrijk is derhalve medeverantwoordelijk, zodat de klacht ontvankelijk is.12
Het EHRM komt vervolgens tot het oordeel dat Frankrijk het recht op een eerlijk proces ook daadwerkelijk heeft geschonden. Zij had de rechten van Stojkovic tijdens diens verhoor behoren te waarborgen en, toen die eenmaal waren geschonden, die schending behoren te herstellen.13
Zoals Ölçer in haar annotatie onder dit arrest (punten 6. en 7.) ook al opmerkt, is bij het voorgaande van belang dat voor het aannemen van jurisdictie voor Frankrijk niet (enkel) wordt aangeknoopt bij het gebruik van de in strijd met de Salduz-jurisprudentie afgelegde verklaringen, aangezien in dat geval Frankrijk reeds op basis van de berechting en veroordeling aldaar verantwoordelijkheid zou hebben gedragen. Het gaat om de vraag wie verantwoordelijk was voor het verhoor in België en de slotsom is dat beide landen dat waren.
Al met al vergt het antwoord op de vraag of in een concreet geval Nederland als verzoekende staat medeverantwoordelijkheid draagt op grond van artikel 1 EVRM een beoordeling van de concrete wijze waarop de rechtshulp is verleend en vooral ook de rol die de Nederlandse autoriteiten daarin hebben gespeeld.
Consequentie voor het vertrouwen(sbeginsel)
De nuance op de doorgaans heldere verdeling van de verantwoordelijkheid die het arrest-Stojkovic aanbrengt, neemt echter niet weg dat bij een meer klassieke ‘strikt gescheiden’ wijze van rechtshulpverlening – de ene staat doet het rechtshulpverzoek, waarna de andere staat daaraan zonder verdere inmenging van de verzoekende staat uitvoering geeft – de verzoekende staat in beginsel geen directe verantwoordelijkheid draagt voor de wijze van uitvoering van het rechtshulpverzoek in de aangezochte staat en derhalve alleen hoeft te beoordelen of de procedure in het geheel eerlijk is geweest. In zoverre kan een uitgangspunt van vertrouwen worden gehanteerd: zo lang het recht op een eerlijk proces niet in het geding is, wordt de rechtmatigheid van de opsporing verondersteld of in elk geval niet getoetst.