Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/6.2.1
6.2.1 Verschillende interpretaties van de toepasselijkheidsvoorwaarden
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS498435:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Office of Fair Trading/Abbey National plc and others [2009] UKSC 6 (hierna OFT/Abbey National [2009b]).
Zoals het geval is in Spanje en Frankrijk. HvJ EU 3 juni 2010, nr. C-484/08 (Ausbanc; n.n.g.).
Bryen and Langley Ltd/Boston [2005] EWCA Civ 973, r.o. 44.
Art. 4 lid 2 richtlijn stelt wel dat kernbedingen aan de toetsing blootstaan wanneer deze onduidelijk en onbegrijpelijk zijn geformuleerd. Het artikel bepaalt niet dat zij om die reden oneerlijk zijn.
TGI Niort 9 januari 2006.
Office of Fair Trading/Abbey National plc and others [2008] EWHC 875 (Commercial Court), r.o. 89 en 388.
355. Alvorens in te gaan op de manier waarop de oneerlijkheidsnorm wordt uitgelegd en toegepast is in de vorige hoofdstukken kort stilgestaan bij de door de richtlijn gestelde voorwaarden voor de toepasselijkheid van de richtlijnnorm. De omgang met deze open geformuleerde voorwaarden is immers van invloed op de uitleg van de open norm. Een voorbeeld vormt de uitsluiting van kernbedingen zoals gedefinieerd in art. 4 lid 2 richtlijn. Bij een ruime uitleg van deze bepaling neemt de betekenis van gezichtspunten als 'de proportionaliteit' of 'de tegenprestatie' af, en blijven bedingen waarin kosten worden bepaald, sneller buiten schot.
De uitleg van art. 4 lid 2 richtlijn varieert zowel tussen, als binnen de lidstaten. De ruime uitleg van het begrip kernbeding door de Supreme Court maakte het onmogelijk bankvoorwaarden waarin voor verschillende diensten hoge kosten aan debiteuren werden opgelegd aan de toetsing te onderwerpen.1 High Court en Court of Appeal stonden dit in lagere instantie wel toe. In Nederland wordt het begrip strikt uitgelegd2 Het HvJ heeft overigens bepaald dat het de lidstaten, gelet op het minimum harmonisatieniveau, vrij staat om art. 4 lid 2 niet om te zetten en kernbedingen aan de oneerlijkheidsnorm te toetsen.3
Een ander voorbeeld vormt art. 1 lid 2 richtlijn, dat bedingen 'waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen (...) zijn overgenomen' uitsluit van de toetsing aan de norm. Dergelijke bedingen zouden immers niet oneerlijk zijn (ov. 13 considerans). Dit artikel leent zich voor een enge en een ruime uitleg (par. 2.3.4), wat gevolgen heeft voor de rol van de vergelijking met het wettelijk kader bij de vaststelling van de verstoring en de gevolgde toetsingssystematiek.
356. Alvorens een beding aan de open norm kan worden getoetst, rijst, in een individuele zaak, de vraag naar de gebondenheid aan de voorwaarden. Deze vraag wordt niet in de richtlijn geregeld en hangt in de onderzochte stelsels al dan niet af van de naleving van een informatieplicht. De behoefte aan bescherming tegen `procedurele missers' op grond van de open norm neemt toe naarmate de gebondenheid sneller wordt aangenomen (dus minder afhankelijk is van informatieverplichtingen). De gebondenheidstoets kan voorts als een 'verkapte inhoudstoets' fungeren. Verschillen tussen gebondenheidsregels zorgen voor verschillen bij de uitleg van de open norm.
In Engeland hebben de common law-rules inzake `incorporation' invloed op de invulling van de oneerlijkheidsnonn. Zij vallen voor een deel samen met de toetsing aan de goede trouw. Daarnaast fungeert de gebondenheidstoets als verkapte inhoudstoets.4 In Frankrijk wordt de gebondenheid bepaald door de mate waarin de consument is geïnformeerd. Procedurele omstandigheden betreffende de 'aanvaarding' van het beding spelen in Frankrijk nauwelijks een rol bij de oneerlijkheidstoets. Opmerkelijk genoeg is dit ook het geval in Nederland, waar de consument juist nauwelijks wordt beschermd door de gebondenheidsregels (en slechts in beperkte mate door art. 6:233 onder b BW).
De gebondenheidsvraag is nauw verbonden met de uitleg van de contractsvoorwaarden. De wijze waarop overeenkomsten worden uitgelegd is op zijn beurt ook van invloed op de vaststelling van de oneerlijkheid. Zo bepalen de 'redelijke verwachtingen' soms of sprake is van een oneerlijk beding (par. 6.2.2). Behalve de contra proferentem-regel bevat de richtlijn echter geen handvatten voor de uitleg van algemene voorwaarden.
357. De richtlijn voorziet voorts in een transparantieplicht en daaraan gekoppelde uitlegregel maar bepaalt vrijwel niets over de verhouding tussen de open norm en de transparantieplicht.5 De rol van de transparantieplicht bij de toetsing aan de norm, de uitleg van deze plicht en de hierbij gehanteerde maatstaf, alsmede de gevolgen die aan de naleving of schending ervan in individuele en collectieve zaken worden verbonden, hebben invloed op de concretisering van de open norm.
Art. 5 heeft bijvoorbeeld een grotere impact op het Franse en Engelse dan op het Nederlandse recht. De schending van het transparantiebeginsel speelt in die landen een belangrijke rol in collectieve procedures waarin de uitleg contra proferentem niet kan worden toegepast. Wel hanteren de Franse en Engelse rechter twee heel verschillende consumentenmaatstaven: de lecteur profane'6 v. de redelijk geïnfonneerde consument7 uit de rechtspraak van het HvJ.