Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/6.5.3.1:6.5.3.1 De algemene actieve inlichtingenplicht
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/6.5.3.1
6.5.3.1 De algemene actieve inlichtingenplicht
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het rapport van de Staatscommissie en de parlementaire stukken is het een beetje zoeken naar de precieze ratio van de algemene actieve inlichtingenplicht uit art. 169 lid 2 Gemeentewet. Aan de ene kant wordt deze regeling gezien als een versterking van de controlerende rol van de gemeenteraad (en daarmee dus kennelijk als iets nieuws),1 aan de andere kant wordt gesproken van codificatie van een bestaande praktijk.2 Naar aanleiding van vragen van de GroenLinksfractie in de Eerste Kamer geeft de minister een additionele verklaring. De actieve inlichtingenplicht zou moeten voorkomen dat er informatieachterstand ontstaat bij oppositiefracties ten opzichte van coalitiefracties, voor zover een dergelijke achterstand in een gedualiseerd stelsel nog zou voorkomen. Mijns inziens gaat het niet primair om deze informatieachterstand, maar om die van de raad als geheel of de individuele raadsleden gezamenlijk ten opzichte van het college. Een voorstelbare — maar nergens met zoveel woorden aangetroffen redenering zou in dat verband kunnen zijn, dat het college zich niet kan verschuilen achter een gebrek aan verzoeken om inlichtingen over aangelegenheden waarvan achteraf blijkt dat de raad er bijtijds over geïnformeerd had willen worden.
De begrijpelijkheid van deze gedachte heeft echter niet in de weg gestaan aan stevige kritiek op de algemene actieve inlichtingenplicht. Zo wijzen onder meer 11511e3 en Engels4 erop dat het criterium 'alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft' nogal non-descript is. De vraag die de formulering van een dergelijk artikel oproept, is vervolgens wie bepaalt wat de raad nodig heeft. Vanuit de optiek van de controlebevoegdheden van de raad zou hij het beste zelf kunnen bepalen welke informatie hij nodig heeft. Dit zou bovendien van raad tot raad kunnen verschillen. Niettemin is het het college dat beschikt over de informatie die al dan niet moet worden doorgespeeld aan de raad en dat aldus in eerste instantie zelf zal moeten bepalen welke inlichtingen `nodig' zijn en welke niet. Hierdoor ontstaat een spanningsveld waarin het mogelijk is dat de raad minder informatie krijgt dan hij — wellicht achteraf bezien had willen hebben of dat de raad wordt overspoeld met informatie waarin hij door de bomen het bos niet ziet. Zowel Dëlle als Engels wijzen erop dat op dit punt duidelijke afspraken tussen raad en college moeten worden gemaakt.5 Dëlle stelt zelfs voor de actieve informatieplicht in verordeningen, (kader)notities of beleidsregels te formaliseren. Op het terrein van de financiën bestaan dergelijke verordeningen in zekere zin al. Zo bevat de model-fmanciële verordening van de Vernieuwingsimpuls dualisme en lokale democratie een rapportageverplichting aangaande de realisatie van de begroting na vier maanden en na acht maanden van het begrotingsjaar (ten behoeve van het voorjaarsen het najaarsoverleg).6 Ook de verordening omtrent doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoek ex art. 213a Gemeentewet bevat als het goed is een actieve inlichtingenplicht. Het college moet immers op grond van 213a lid 2 Gemeentewet verslag uitbrengen aan de raad omtrent het in die verordeningen geregelde onderzoek.
De terechte vraag die Munneke bij deze constructie stelt, is of het maken van dit soort formaliserende afspraken tussen raad en college niet afdoet aan het actieve karakter van de inlichtingenplicht. Immers, uiteindelijk is het toch weer de raad die — zij het op een wat meer algemene manier — vraagt om informatie. Er ontstaat daardoor een soort tussenvorm tussen de actieve en de passieve inlichtingenplicht. Hij voegt daar terecht aan toe dat dergelijke afspraken evengoed op de algemene passieve inlichtingenplicht uit art. 169 lid 3 Gemeentewet zouden kunnen worden gebaseerd en concludeert dat de algemene actieve inlichtingenplicht op deze manier weinig toegevoegde waarde heeft.7
Een andere kanttekening die bij dergelijke formaliserende afspraken kan worden gemaakt, is dat niet alleen het actieve karakter van art. 169 lid 2 Gemeentewet hierdoor wordt gerelativeerd, maar ook het algemene karakter ervan. Juist door op specifieke beleidsterreinen of deelgebieden af te spreken welke informatie de raad van het college zal krijgen, ontstaat een situatie die eerder op een bijzondere inlichtingenplicht lijkt.