Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.3.3.2
3.3.3.2 Bij de uitvoering van de belastingwet ingeschakelde deskundige derden
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285418:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 2, par. 4.2.
Vergelijk: de misvatting over de onderworpenheid van de door de inspecteur ingeschakelde deskundigen (VV, Kamerstukken II 1989/90, 21 287, nr. 4, blz. 13 en MvA, Kamerstukken II 1990/91, 21 287, nr. 5, blz. 21).
Bijvoorbeeld de externe deskundigen die het rulingbeleid van de Belastingdienst evalueren (zie uitgebreider: Het Financieele Dagblad 4 juni 2019, Slechts tipje van sluier opgelicht over rulings Belastingdienst, https://fd.nl/economie-politiek/1303765/slechts-tipje-van-sluier-over-rulings-belastingdienst (online, geraadpleegd op 5 juni 2019) en de rapportage onafhankelijke onderzoekscommissie rulings met een internationaal karakter 2018, Kamerstukken I 2019/20, 31 066, nr. N (bijlage 4)). Vergelijk: art. 51j, tweede lid, Sv en de ‘kan’-bepaling van art. 236 Sv waarin is bepaald dat aan de deskundige geheimhouding kan worden opgelegd.
Zowel in de fase van het vooronderzoek (art. 8:47 Awb en art. 8:49 Awb) als tijdens het onderzoek ter zitting (art. 8:60 Awb). Partijen hebben de verplichting mee te werken aan het onderzoek van deskundigen en zijn gehouden desgevraagd informatie te verstrekken (art. 8:30 Awb en art. 8:47 Awb). Zie ook: Schreuder-Vlasblom 2017, blz. 844 en Bergman e.a. 2020, blz. 161-162.
Zie: De Poorter e.a. 2018 en de internetconsultatie Wet amicus curiae en kruisbenoemingen (2019). Zie ook: Wet van 13 oktober 2020 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet op de rechterlijke organisatie en de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met enkele wijzigingen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling bij de hoogste rechtscolleges (Amicus curiae en kruisbenoemingen), Kamerstukken II 2019/20, 35 550, Stb. 2020, 416).
Concept-MvT, internetconsultatie Wet amicus curiae en kruisbenoemingen (2019), blz. 1. Vergelijk: brief Minister van Rechtsbescherming van 22 maart 2019, Kamerstukken II 2018/19, 29 279, nr. 498, blz. 2. Onder verwijzing naar de fiscale geheimhoudingsplicht heeft de NOB in zijn reactie op de internetconsultatie opgemerkt dat de inzet van de amicus curiae zou betekenen dat al in een vroeg stadium van de procedure – en dus niet zoals tot nu toe gebruikelijk is na de uitspraak – geanonimiseerd moet worden (NOB-commentaar internetconsultatie Wet amicus curiae (NOB 2019), blz. 3). Vergelijk: MvT, Kamerstukken II 2019/20, 35 550, nr. 3, blz. 14.
Zie uitgebreider: Hoofdstuk 9, par. 4.1.
Als er een verplichting bestaat het HvJ EU te verzoeken om een prejudiciële beslissing is de Nederlandse fiscale geheimhoudingsplicht niet op het HvJ EU van toepassing: art. 1, eerste lid, AWR bepaalt dat de AWR in Nederland geldt. De Hoge Raad heeft de bevoegdheid, maar nooit een verplichting om prejudiciële vragen te stellen aan het EHRM. Zie ook: B.M. van der Sar, Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU en het EHRM in het licht van de Nederlandse fiscale geheimhoudingsplicht, FED 2020/21.
Art. 27ga t/m art. 27ge AWR en de schakelbepaling van art. 27h AWR. In zijn aanmerkingen op het conceptwetsvoorstel gaat de president van de Hoge Raad in op het spanningsveld tussen de fiscale geheimhoudingsplicht en de betrokkenheid van derden (brief president van de Hoge Raad van 3 september 2015, Kamerstukken II 2015/16, 34 305, nr. 6, blz. 2). Vergelijk: MvT, Kamerstukken II 2015/16, 34 305, nr. 3, blz. 55.
In het verlengde hiervan kan ook nog worden gewezen op art. 27gc, tweede lid, AWR.
Zie: Scheltens 1969, blz. 154, Vries & Van der Linde 1963, blz. 125 en Schouwstra, 1968, blz. 163.
Vergelijk: art. 8:34, eerste lid, Awb (deskundige) en art. 8:35, eerste lid, Awb (tolk).
Krans e.a. 2011, blz. 21.
In nagenoeg alle onderzochte geheimhoudingsbepalingen van het pre-AWR-tijdperk is vanaf de Wet IB 1914 een apart artikellid gewijd aan de niet-ambtelijke deskundigen.1 Zonder deze specifieke toevoeging zouden zij niet als onderworpen subject kunnen worden aangemerkt. In de AWR is de niet-ambtelijke deskundige zonder nadere toelichting niet meer apart genoemd.2 In de Leidraad AWR (1962) kwam de niet-ambtelijke deskundige nog wel nadrukkelijk aan bod.3 Onder het in art. 67, eerste lid, AWR opgenomen begrip ‘in verband met enige werkzaamheid’ dienen derhalve ook de werkzaamheden van de (niet-ambtelijke) deskundigen te worden geschaard.4 Wat moet worden verstaan onder een deskundige derde is niet uitputtend gedefinieerd; het kan gaan om een externe taxateur die door de inspecteur wordt ingeschakeld, een externe, fiscale mediator die bemiddeld, maar ook om een tolk of een deskundige die door de belastingrechter wordt benoemd.5
Vanuit de optiek van de fiscale geheimhouding zal de amicus curiae eveneens als deskundige kunnen worden aangemerkt.6 Deze figuur houdt in dat, kort gezegd, ook anderen dan de bij een rechtszaak betrokken partijen de gelegenheid kunnen krijgen om in die zaak een inbreng te leveren (meedenken).7 Aan het HvJ EU en het EHRM kunnen door de Nederlandse belastingrechter prejudiciële vragen worden gesteld.8 Ingeval er geen verplichting maar een bevoegdheid bestaat om prejudiciële vragen te stellen zouden het HvJ EU en het EHRM waarschijnlijk aangemerkt moeten worden als een door de belastingrechter ingeschakelde (buitenlandse) deskundige.9 Dit lijkt vergelijkbaar met de situatie waarin de belastingrechter in eerste aanleg of in hoger beroep prejudiciële vragen stelt aan de Hoge Raad.10 In die situatie dient de Hoge Raad – net als de verwijzende belastingrechter – echter al aangemerkt te worden als onderworpen subject van de eerste categorie.11
Vooruitlopend op de beoordeling in Hoofdstuk 7 van de beoogd onderworpen subjecten is het nog van belang om te benadrukken dat het er bij deze tweede categorie van onderworpen subjecten steeds om gaat dat zij worden ingeschakeld door een onderworpen subject uit de eerste categorie ten behoeve van de uitvoering van de belastingwet door laatstgenoemde.12 Hierbij maakt het niet uit of het nu wordt geformuleerd als: raadplegen, betrokken, ingeschakeld of met een werkzaamheid worden belast. Belasting-, administratie- en inhoudingsplichtigen en derden die zijn onderworpen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de belastingwet hebben, anders dan een in te schakelen deskundige derde, niet de vrijheid om straffeloos medewerking te weigeren. Een taxateur, een materiedeskundige of een tolk kan, zonder dreiging van strafrechtelijke sancties, weigeren een opdracht te aanvaarden.13 Krans e.a. stellen dat door het aanvaarden van zijn opdracht de adviseur zich tot het verlengstuk van de overheid maakt.14