Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS487394:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Een basis hiertoe biedt art. 6:76 BW. Zie daarnaast Tjittes 2001, met name p. 13-15; en HR 11 november 2005, NJ 2007, 231 m.nt. Vranken en JOR 2006/ 90 (Ontvanger/Voorsluis).
Vgl. HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 m.nt. Brunner (Kleuterschool Babbel ) alsmede HR 11 november 2005, NJ 2007, 231 m.nt. Vranken en JOR 2006/90 (Voorsluis).
HvJ 10 september 2009, NJ 2009, 572 (Akzo Nobel) en HvJ 15 september 2011, zaak T-234/07 (LJN BT6316) (Grolsch). Deze en andere uitspraken van het HvJ op dit terrein, zijn besproken door Drijber, 2012, p. 36-41.
Zie, naast de in de vorige noot genoemde uitspraken van het Hof van Justitie, ook het College van Beroep voor het Bedrijfsleven 18 november 2010, JB 2010/55.
Kijkt men naar Boek 2 BW, dan is geen sprake van een besluit van de rechtspersoon. Besluiten in de zin van de wet op de ondernemingsraden zijn dus niet per definitie ook besluiten in de zin van Boek 2 BW.
OK 28 april 2004, JOR 2004/234 en JAR 2004/147 (FNV Ledenservice II).
Bartman/Dorresteijn 1994, p. 165-166. De derde door Bartman/Dorresteijn genoemde meer pragmatische benadering laat ik rusten, omdat ik die kwalificeer als een benadering die het midden houdt tussen de beide andere.
Het begrip toerekening komen we op diverse terreinen van het recht tegen. Zo kunnen rechtshandelingen die de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in naam van de volmachtgever heeft verricht aan de volmachtgever worden toegerekend (art. 3:66 lid 1 BW). De kennis van een adviseur kan onder omstandigheden aan zijn opdrachtgever worden toegerekend.1 Een ander voorbeeld biedt de toerekening van onrechtmatige handelingen van natuurlijke personen aan rechtspersonen.2 Een bijzondere vorm van toerekening kent het mededingingsrecht. Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EU kan het gedrag van een dochteronderneming aan een moedermaatschappij worden toegerekend, wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelf haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt.3 In dat geval beschouwt men moeder- en dochtermaatschappij als een economische eenheid; voor toepassing van het mededingingsrecht vormen zij één onderneming. Houdt de moedermaatschappij 100% van de aandelen in de dochteronderneming, dan bestaat het weerlegbare vermoeden dat zij metterdaad een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van de dochter.4 Wat formeel een gedraging van de dochter is, wordt dan voor het mededingingsrecht (tevens) beschouwd als een gedraging van de moeder.
Kenmerkend voor toerekening is dat gedragingen van derden (mede) hebben te gelden als eigen gedragingen van de persoon waaraan wordt toegerekend; de persoon die de (rechts)handeling (feitelijk) níet heeft verricht, heeft daarvan wél (mede) de gevolgen te dragen. Dit zien we ook bij het gebruik van de techniek van de toerekening in medezeggenschapsrechtelijk perspectief. De ondernemer kan medezeggenschapsrechtelijk worden aangesproken op een besluit dat vennootschapsrechtelijk niet door hem genomen is; het besluit van een derde heeft voor de toepassing van art. 25 WOR te gelden als een eigen besluit van de ondernemer.5 De ratio van toerekening wordt door de Ondernemingskamer treffend verwoord in de tweede beschikking inzake FNV Ledenservice.6 Het gaat er om of ‘het uitoefenen van adviesrecht door de ondernemingsraad nog van wezenlijke invloed kan zijn op een te nemen besluit en aldus of de medezeggenschap van een ondernemingsraad zoals die in de Wet op de ondernemingsraden gestalte heeft gekregen reële betekenis heeft’. Toerekening strekt er, door het moment te vervroegen waarop de ondernemingsraad in het besluitvormingsproces wordt betrokken, toe te bewerkstelligen dat de ondernemingsraad de gelegenheid krijgt een advies uit te brengen met betrekking tot het besluit in zijn volle omvang, en niet slechts met betrekking tot (de modaliteiten van) de gevolgen. Op zoek naar het antwoord op de vraag wanneer een besluit moet worden toegerekend, begin ik met de twee van de drie benaderingen die Bartman/Dorresteijn in 1994 nog noemen: de concernrechtelijke en de klassiek-vennootschapsrechtelijke.7