Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/5.2.2.2
5.2.2.2 Extensieve uitleg van ruime opvatting onhoudbaar
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS442497:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Dortmond (2003), p. 105.
Schwarz (2007) en Schwarz (2008), p. 542-546.
Van Mourik (1986a), p. 44, Van Mourik (1986b), p. 3, Heyman (1988), p. 12, Van Mourik (1989a), p. 45, Van Mourik (1993), p. 54, Pitlo/Raaijmakers (2000), p. 174, Pitlo/ Raaijmakers (2006), nr. 2.6.9.
Zie 3.4.3.1 hierboven.
Zie 3.4.3.1 hierboven.
Zie 3.4.3.1 hierboven.
Zie 3.5 hierboven.
Zie 3.3.3.1.2 hierboven.
Deze term is afkomstig van Schoordijk, die daarmee bedoelt dat een rechtsregel tot maatschappelijk aanvaardbare uitkomsten behoort te leiden. Zie Schoordijk (2003), p. 10, p. 13, p. 22, p. 24 en p. 36. Ook Maeijer, de ontwerper van de tekst van het wetsvoorstel Personenvennootschappen, streefde naar oplossingen met werfkracht; zie Maeijer (2003b), p. 6.
Aanvaarding van een extensieve invulling van de ruime leer zoals besproken in de vorige paragraaf zou een aantal nadelige gevolgen hebben. De belangrijkste daarvan is dat dan aan de commanditair de mogelijkheid zou worden onthouden een adequate invloed uit te oefenen op de wijze waarop de gecommanditeerde vennoot de onderneming exploiteert. Dat zou om diverse redenen een ongewenste situatie zijn.
De commanditair investeert risicodragend in de commanditaire vennootschap. Weliswaar deelt hij niet onbeperkt in vennootschapsverliezen, maar hij kan als gevolg van een gebrekkige bedrijfsvoering door de gecommanditeerde vennoot wel zijn eigen inbreng geheel verliezen.
Wanneer de commanditair het recht zou worden onthouden om invloed op het bestuursbeleid uit te oefenen, dan zou het hem onmogelijk zou worden gemaakt om te voldoen aan de fiduciaire verantwoordingsplichten waaraan hij zelf mogelijkerwijze is onderworpen. Veelal is de commanditaire vennoot een institutionele belegger, zoals een beleggingsinstelling of een pensioenfonds. Deze organisaties zijn verplicht ter zake van hun investeringsbeleid rekening en verantwoording af te leggen aan degenen die ter belegging middelen aan hen hebben toevertrouwd.1 Dit impliceert dat het de commanditair vrij moet staan zijn investering te monitoren en in dat kader het beleid van de besturende vennoot te beïnvloeden.
De commanditair is geen loutere geldschieter, maar vennoot. Ook dit aspect brengt mee dat hem niet het recht kan worden onthouden binnen de vennootschap invloed uit te oefenen op het beleid.
De omstandigheid dat de commanditaire vennootschap net als de andere vennootschapsvormen haar grondslag vindt in een overeenkomst tot samenwerking duidt er evenzeer op dat beleidsbeïnvloeding door de commanditair behoort te worden aanvaard.2
Ten slotte zou de opvatting dat het de commanditair niet geoorloofd is enigerlei invloed uit te oefenen op het ondernemingsbeleid de aantrekkingskracht van de rechtsvorm van de commanditaire vennootschap sterk ondergraven. Voor haar voortbestaan zou moeten worden gevreesd.3
Een tweede, meer praktisch nadeel van de aanvaarding van de extensieve versie van de ruime leer dat in de literatuur wordt genoemd is de zware bewijslast voor de derde. Van een louter interne beleidsbeïnvloeding door de commanditaire vennoot blijkt doorgaans niet naar buiten. Daarmee zullen vennootschapscrediteuren die een commanditair aansprakelijk willen houden die uitsluitend intern als bestuurder actief is slechts hoogst zelden kunnen slagen in het bewijs van deze bestuursbeïnvloeding. Daaruit wordt dan weer de conclusie getrokken dat het zinloos is dergelijk gedrag te verbieden: wanneer normschending toch niet bewijsbaar is lijkt het beter van het dwingend opleggen van de norm af te zien.4 Op dit argument valt overigens wel wat af te dingen, zoals uit paragraaf 5.2.2.3 hierna zal blijken.
Een derde nadeel van de aanvaarding van de ruime opvatting in haar meer extensieve variant is dat deze contrair zou zijn aan ontwikkelingen op dit terrein in het buitenland. Het is zinvol hiervoor allereerst een blik te werpen op het Engelse recht. Onder het huidige Engelse recht loopt de limited partner die de general partner adviseert over het vennootschapsbeleid het risico dat dit aangemerkt wordt als een schending van het bestuursverbod van art. 6 lid 1 van de Limited Partnerships Act 1907.5 Juist de vrees dat deze vergaande beperking de attractie van de Engelse limited partnership zou fnuiken was in Engeland aanleiding een wetsvoorstel voor te bereiden6 dat tot doel had de limited partner aanzienlijk meer ruimte tot interne beleidsbeïnvloeding te geven.7 Dat dit concept-wetsvoorstel thans in de ijskast is beland aangezien de legislatieve prioriteiten zijn verschoven doet niet af aan het feit dat ook in Engeland de noodzaak werd ervaren om de strikte bestuursonthouding die de commanditair wordt opgelegd te versoepelen. Ook in de Verenigde Staten wordt bestuursbemoeienis door de limited partner door de elkaar opvolgende (model)wetten in steeds ruimere omvang toegestaan.8 Ook in Duitsland bestaan er op dit punt weinig barrières voor de commanditair: hem kan bij het vennootschapscontract een zeer aanzienlijke ruimte tot beleidsbeïnvloeding, ja zelfs tot beleidsbepaling worden toegekend.9
Op basis van bovenvermelde argumenten komt het mij voor dat de ruime leer in zijn extensieve vorm, die dus méér omvat dan louter een aan de commanditaire vennoot opgelegd verbod om de gecommanditeerde vennoot concrete instructies te geven, onvoldoende werfkracht10 heeft. Zij dient dan ook te worden verworpen.