Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.3.1.2
4.3.1.2 De duurovereenkomst van opdracht voor bepaalde tijd zonder contractuele opzegregeling
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855323:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0483 (Mondia/Calanda); HR 10 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1428 (Aerts/Kneepkens). In het Goglio/SMQ-arrest (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141) geeft de HR een overzicht van de stand van zaken m.b.t. de opzegbaarheid van duurovereenkomsten. Daarin zwijgt hij over de niet-opzegbaarheid van een overeenkomst voor bepaalde tijd, waardoor het de vraag is of de rechtsregels uit de arresten Mondia/Calanda en Aerts/Kneepkens nog van kracht zijn. Naar mijn mening is dat het geval, omdat het zwijgen van de HR kan worden verklaard doordat enerzijds in deze zaak een contractuele opzegregeling was overeengekomen (en de regels zonder wettelijke of contractuele opzegregeling dus onverlet konden worden gelaten) en anderzijds de opzegregels op het gebied van een duurovereenkomst voor bepaalde tijd zonder opzegregeling duidelijk waren. Zie in vergelijkbare zin Schelhaas & Spanjaard, Contracteren 2018/2.3.
HR 21 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0483 (Mondia/Calanda); HR 10 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1428 (Aerts/Kneepkens).
Met normen bedoel ik: (i) een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging, (ii) een opzegtermijn of (iii) (een aanbod tot het betalen van) een (schade)vergoeding.
Ook in de feitenrechtspraak wordt wel van deze lezing uitgegaan. Zie bijv. hof Amsterdam 10 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4372, waarin werd overwogen: “In artikel 7:408 lid 1 BW is bepaald dat de opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat deze bepaling ook geldt indien de overeenkomst, zoals in dit geval, voor bepaalde tijd is aangegaan. Daarmee is de kous echter niet af. Ook als uit de wet voortvloeit dat een overeenkomst te allen tijde opzegbaar is, kunnen onder bepaalde omstandigheden de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat opzegging alleen mogelijk is met inachtneming van een bepaalde minimale opzegtermijn en/of onder betaling van een schadevergoeding.”
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ).
Zie bijv. hof Amsterdam 10 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4372.
Net als bij de duurovereenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd is het uitgangspunt bij de duurovereenkomst van opdracht voor bepaalde tijd dat de opdrachtgever deze kan opzeggen (artikel 7:408 lid 1 BW) (zie paragraaf 4.2.1). Dit staat haaks op het algemeen verbintenisrechtelijke vertrekpunt, namelijk dat de onbenoemde duurovereenkomst voor bepaalde tijd in principe niet tussentijds opzegbaar is.1 Op dit algemeen verbintenisrechtelijke principe bestaan meerdere uitzonderingen. Zo kan de opzegbaarheid uit de wet of overeenkomst volgen of kunnen onvoorziene omstandigheden de mogelijkheid tot opzegging meebrengen.2 Nu met artikel 7:408 lid 1 BW een wettelijke uitzondering bestaat voor de situatie waarin de opdrachtgever de duurovereenkomst van opdracht voor bepaalde tijd wil opzeggen, ga ik in deze paragraaf alleen op die uitzondering in.
De ruime opzegbevoegdheid van de opdrachtgever sluit niet zonder meer uit dat aan de opzegging door de opdrachtgever geen eisen kunnen worden gesteld. De in paragraaf 4.3.1.1 genoemde normen3 zijn afkomstig uit de jurisprudentie waarin de onbenoemde duurovereenkomst voor onbepaalde tijd centraal stond en vloeien voort uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW). Onduidelijk is of vergelijkbare normen ook van toepassing kunnen zijn op de situatie waarin de opdrachtgever de duurovereenkomst van opdracht voor bepaalde tijd wil opzeggen. Naar mijn overtuiging is dat om twee redenen mogelijk.4
Ten eerste lijkt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.6.3 van het Goglio/SMQ-arrest impliciet te hebben overwogen dat de opzegging van de duurovereenkomst van opdracht voor bepaalde tijd, onderworpen kan worden aan nadere eisen: “Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.”5 Deze overweging is niet toegespitst op de duurovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd, terwijl de Hoge Raad in de rechtsoverwegingen 3.6.2 en 3.6.5 expliciet de duurovereenkomst voor onbepaalde tijd noemt. Als de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.6.3 uitsluitend de duurovereenkomst voor onbepaalde tijd had beoogd, lag het voor de hand dit, net als in de rechtsoverwegingen 3.6.2 en 3.6.5, expliciet op te schrijven.
Ten tweede is het vertrekpunt van de duurovereenkomst van opdracht voor bepaalde tijd hetzelfde als die van de onbenoemde duurovereenkomst voor onbepaalde tijd: opzegbaarheid is het uitgangspunt. Een benadering waarin de ruime opzegbevoegdheid van de opdrachtgever bij de duurovereenkomst voor onbepaalde tijd aan nadere eisen kan worden onderworpen (zie paragraaf 4.3.1.1) en bij een duurovereenkomst voor bepaalde tijd niet, terwijl bij beide overeenkomsten opzegbaarheid vooropstaat, valt niet goed te rechtvaardigen en komt onlogisch voor. Met andere woorden: er moet in mijn ogen niet worden gekeken naar het etiket ‘bepaalde of onbepaalde tijd’, maar naar het al dan niet vooropstaan van opzegbaarheid.
Concreet betekent het voorgaande dat naar mijn overtuiging een vergelijkbaar normenregime geldt bij de opzegging van de duurovereenkomst van opdracht voor bepaalde tijd als die bij de duurovereenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd (zie paragraaf 4.3.1.1). De omstandigheid of sprake is van een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd, kan evenwel relevant zijn voor (de lengte van) de opzegtermijn of (de hoogte van) de (aanvullende) (schade)vergoeding (zie paragraaf 4.3.2 en 4.3.3), maar lijkt niet of nauwelijks een verschil te maken voor de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging. Net als bij de duurovereenkomst voor onbepaalde tijd geniet de opdrachtnemer bij de opzegging van de duurovereenkomst voor bepaalde tijd zelden bescherming in de vorm van het inperken van de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever.6