Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.4.4
2.4.4 Doel van pedagogische autonomie; de kwaliteit van het onderwijs
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949588:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onderwijsraad 2018b, p. 12.
Onderwijsraad 2018c, p. 1.
Onderwijsraad 2016, p. 9.
Onderwijsraad 2016, p. 9.
Noorlander 2005, p. 105.
Noorlander 2005, p. 95.
Onderwijsraad 2018 p. 15/16
Zie voor een Duits perspectief op de pedagogische autonomie onder andere Buer 1990, Luthe 2003, Fauser 1986 en Rux 2003 en Noorlander 2005 p. 95-103.
Noorlander 2005, p. 95.
Avenarius en Heckel 2000, p. 369.
In voornamelijk de Duitse literatuur wordt de pedagogische autonomie ook wel aangeduid als pedagogische vrijheid.
Avenarius en Heckel 2000, p. 342.
Avenarius en Heckel 2000, p. 342.
Artikel 7 van de Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland.
Artikel 2, eerste lid, van de Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland.
Buer 1990, p. 15-17.
De autonomie van een professional dient doorgaans niet primair het individuele eigenbelang, maar een bepaald algemeen belang. Autonomie is dan ook doelgebonden. Dit is ook het geval bij de leraar. De leraar kan met zijn kennis en kunde autonomie gebruiken om in het belang van de leerling kwalitatief goed onderwijs te geven. De autonomie van de leraar is dan ook niet vrijblijvend, zij gaat gepaard met de opdracht om de leerling goed onderwijs te geven. De Onderwijsraad stelt daarom in het algemeen dat het belang van het verstevigen van de positie van de leraar in direct verband staat met de kwaliteit van het onderwijs.1 De leraar speelt immers een cruciale rol bij het realiseren van kwalitatief goed onderwijs.2 Om zijn verantwoordelijkheid voor goede onderwijskwaliteit waar te maken, heeft de leraar een mate van professionele ruimte ofwel autonomie nodig.3 Zoals in de vorige paragraaf geschetst is het geven van onderwijs immers veeleisend en ingewikkeld. Leraren moeten meerdere onderwijsdoelen verwezenlijken, tegelijkertijd dienen zij rekening te houden met de eigen voorgeschiedenis, behoeften en kenmerken van iedere leerling.4 Voor het juist handelen in dergelijke complexe situaties volstaan protocollen niet. De leraar moet met zijn pedagogische autonomie zelf op basis van zijn vakdeskundigheid ‘eigen, wijze keuzes’ kunnen maken, in het belang van de onderwijskwaliteit.
Noorlander stelt dat pedagogische autonomie de vrijheid inhoudt om als onderwijsverstrekker de inhoud en vorm van het verstrekte onderwijs te bepalen.5 De leraar heeft bijvoorbeeld de vrijheid om zelf te bepalen op welke wijze hij lesgeeft, om de leerplannen te interpreteren en om – afhankelijk van de situatie en de leerlingen – vanuit onderwijskundig en didactisch oogpunt een geschikte onderwijsmethode te kiezen.6
De Onderwijsraad gaat in 2018 uitgebreider in op de rol van de leraar.7 Het werk van de leraar omvat het ontwikkelen van onderwijs, het geven van onderwijs aan leerlingen en het toetsen en evalueren van onderwijs. Dit doet de leraar in drie domeinen. De leraar heeft namelijk 1) de opdracht leerlingen kennis, vaardigheden en houdingen bij te brengen die zij nodig hebben in een vervolgopleiding, werk of andere aspecten van hun leven. Daarnaast 2) leidt hij de leerlingen op in culturele, professionele en maatschappelijke tradities en praktijken en de daarbij horende waarden en normen. Ten slotte 3) vormt hij de persoon van de leerling tot iemand die kritisch kan denken en oordelen, beschikt over moraliteit, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid. In deze drie domeinen moet de leraar voortdurend inschatten hoe hij in een bepaalde situatie het beste kan handelen voor een bepaalde leerling of welke stof en pedagogische methode het best kan worden toegepast in dat geval. De leraar zet dan ook zijn autonomie in om de leerling het beste onderwijs te kunnen bieden. Hiervoor is zijn oordeelsvermogen essentieel. Hoewel protocollen en routines hier ook een belangrijke rol bij kunnen spelen, verloopt onderwijs altijd via interactie en concrete situaties waarin de leraar afwegingen moet maken over hetgeen voor een bepaalde leerlingen in een bepaalde situatie wenselijk is.
In de Duitse literatuur wordt uitgebreider ingegaan op het belang dat de leraar moet dienen met zijn pedagogische autonomie.8 De relatie tussen de leraar en de leerling wordt beschouwd als een dynamische onderwijskundige en opvoedkundige betrekking.9 De leraar heeft een zekere mate van pedagogische autonomie nodig om in deze dynamische betrekking het onderwijs toe te spitsen op de individuele leerling. Avenarius en Heckel schrijven dat de leraar in zijn werk de toepasselijke regelgeving dient na te leven en dat hij de instructies van zijn werkgever dient op te volgen.10 Daarbuiten heeft de leraar echter speelruimte om zelf het onderwijs en de opvoeding van de leerling vorm te geven. Pedagogische autonomie is volgens Avenarius en Heckel geen persoonlijke vrijheid van de leraar, maar doelgebonden. De vrijheid van de leraar staat direct in verband met het vervullen van de educatieve missie van de school en de ontwikkeling van de leerling:
“Die pädagogische Freiheit11ist eine pflichtgebundene Freiheit, die ihren Grund und ihre innere Rechtfertigung in der Erziehungsaufgabe des Lehrers findet. Sie ist ihm nicht um seiner selbst, sondern um seiner Funktion, seines Amtes willen gewährleistet". Es handelt sich also nicht um eine personale, sondern um eine auf den Schulzweck, auf die Bildungsinteressen der Schüler bezogene Freiheit.”12
Door de pedagogische autonomie van de leraar te koppelen aan de missie van de school en het belang van de leerling, wordt door Heckel en Avenarius de plaats van de pedagogische autonomie in de Duitse grondwet duidelijk gemaakt.13 De pedagogische autonomie is volgens hen geworteld in de taak van de Staat, die wordt uitgevoerd door de leraar, om goed onderwijs te verzorgen14 en in het recht van de leerling om zich vrij te ontwikkelen.15
Buer leidt pedagogische vrijheid af uit het belang van de leerling om goed onderwijs te ontvangen.16 De pedagogische autonomie houdt tevens verband met en is gebonden aan de educatieve missie van de school. Buer vergelijkt de pedagogische autonomie met de rechten van de ouders over hun kind. Ook deze rechten heeft de ouder slechts in het belang van het welzijn van het kind. Pedagogische autonomie is dan ook geen individueel vrijheidsrecht van de leraar. De leraar heeft enkel autonomie om het recht van de leerling op onderwijs te verwezenlijken.
Uit de adviezen van de Onderwijsraad blijkt dat de pedagogische autonomie van de leraar in Nederland in verband gebracht moet worden met het belang van de leerling en de kwaliteit van het onderwijs. De leraar heeft pedagogische autonomie nodig om op basis van zijn kennis en kunde het onderwijs toe te spitsen op de specifieke situatie waarin zijn klas of leerling zich bevindt, dit draagt bij aan de kwaliteit van het onderwijs. Aan de leraar komt dan ook autonomie toe om de kwaliteit van het onderwijs voor zijn leerlingen te verbeteren. Deze autonomie is niet louter een recht van de leraar, maar gaat gepaard met de opdracht om zijn autonomie te gebruiken om de leerling kwalitatief goed onderwijs te geven.