Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.4.3
2.4.3 Pedagogische autonomie en de leraar: werkplezier, betekenisvol werk en ontwikkeling
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949327:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
R. Sennet, The corrosion of character, London: W.W. Norton & Company 1999, p. 38.
Onderwijsraad 2016, p. 10.
Onderwijsraad 2023, p. 33.
Onderwijsraad 2018e, p. 18.
Onderwijsraad 2023, p. 33.
Buchanan 2020, p. 67. Zie over autonomie en regeldruk uitgebreider: M. Blesgraaf, Regeldruk in het onderwijs, Den Haag: Boom Juridisch 2022, p. 196.
K. van Gennep, ‘Gemotiveerde werknemer sleutel voor economisch succes’, in Van den Brink e.a. 2005, p. 56/57.
Onderwijsraad 2013, p. 9.
K. van Veen, ‘Lesgeven, een vak apart’, in Van den Brink e.a 2005, p. 200.
Kamerstukken II 2007/08, 31 007, nr. 7, p. 301 (Rapport parlementair onderzoek “Vijftien jaar onderwijsvernieuwingen in Nederland”).
Zoals al kort is toegelicht in § 2.2.1 is autonomie voor eenieder van belang en nastrevenswaardig. Autonomie wordt gezien als een wezenlijk kenmerk van een waardevol menselijk bestaan. Dit geldt ook bij het werk van een professional, zoals de leraar. Pedagogische autonomie is dan ook niet alleen noodzakelijk voor leraren om hun werk goed te kunnen doen, maar ook wezenlijk voor hen om van het onderwijs een betekenisvolle en aantrekkelijke werkplek te maken en om zich te kunnen blijven ontwikkelen.
Het beroep van leraar wordt idealiter uitgeoefend door hoogopgeleide en vakbekwame professionals. Voor deze professionals is het beroep van leraar enkel interessant als zij gedurende hun beroepsuitoefening hun professionele kwaliteiten kunnen inzetten en ontwikkelen. Dit komt pas tot zijn recht als leraren hun eigen kennis en inzicht kunnen inbrengen in het onderwijs. Het enkel uitvoeren van door anderen bedacht onderwijs past volgens de Onderwijsraad dan ook niet bij de professionaliteit van de leraar. Om je te kunnen blijven ontwikkelen is het immers van belang routine te kunnen doorbreken.1 Doordat de leraren een zekere mate van pedagogische autonomie hebben, wordt aanspraak gemaakt op hun vakdeskundigheid. Zo ontstaat betekenisvol werk, werkplezier en kunnen zij groeien in hun vakmanschap.2
Wanneer de autonomie van leraren onder druk komt te staan, is dit een belangrijke reden voor hen om een andere baan te gaan zoeken.3 Het geven van onderwijs wordt ervaren als een fysiek en mentaal zware baan, waarbij leraren relatief vaak te maken hebben met ongepast gedrag van bijvoorbeeld ouders of leerlingen. Het werkplezier en de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar wordt dan ook sterk bepaald door de wijze waarop het onderwijs is georganiseerd. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor het schoolbestuur. Goed leiderschap draagt bij aan een professionele cultuur waarbij teamleden gezamenlijk werken aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Om te komen tot gemotiveerde lerarenteams is het van belang dat het personeelsbeleid nadrukkelijk wordt verbonden aan de visie en doelen van de school.4 Het schoolbestuur kan daarnaast volgens de Onderwijsraad fungeren als ‘hitteschild’ tegen onproductieve regeldruk van buitenaf.5
Onnodige regeldruk en het moeten afleggen van verantwoording leiden leraren af van het geven van onderwijs, en kost hen tijd, energie, creativiteit en autonomie die noodzakelijk is voor het geven van goed onderwijs.6 Onderdelen van hun werk die niet gerelateerd zijn aan het geven van onderwijs hebben impact op hun mogelijkheden om goed onderwijs te geven. Een steeds grotere nadruk van beleidsmakers op efficiëntie en toenemende hoeveelheden regels leiden dan ook af van wat leraren het beste doen, namelijk het onderwijzen van hun leerlingen. Ook kan deze regeldruk in de weg staan aan creativiteit.7 Er is ruimte nodig voor vernieuwende en pionierende leraren die grenzen verleggen en met baanbrekende ideeën nieuwe onderwijsmethoden creëren.
Een gebrek aan professionele autonomie – bijvoorbeeld door onproductieve regeldruk of onvoldoende ruimte voor betrokkenheid bij het vormgeven van het onderwijs – kan de ‘beroepseer’ van de leraar schaden. Het schaden van de beroepseer ontstaat onder meer bij een gebrek aan professionele handelingsvrijheid, miskenning van vakkennis en te veel regels of protocollen.8 Van Veen schrijft dat de beroepseer van de Nederlandse leraar is geschonden doordat de leraar te zwaar wordt belast en doordat onderwijsvernieuwingen worden ontwikkeld en doorgevoerd door andere actoren dan de leraar.9 Dit zou de leraar degraderen van professional tot uitvoerder. Aantasting van de professionele autonomie en beroepseer van de leraar heeft ertoe geleid dat veel leraren het onderwijs hebben verlaten.10 Pedagogische autonomie is dan ook niet enkel onmisbaar voor de leraar om in te kunnen springen op de actuele situatie in de klas en om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, maar ook om het onderwijs voor hem aantrekkelijk en betekenisvol te houden en om zich te kunnen blijven ontwikkelen. Dit is zeker nu in het bijzonder van belang, gezien het grote tekort aan leraren.