Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.3
2.2.3 Grieken en Romeinen: geprivilegieerd burgerschap
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS976977:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Romein 1971, p. 137.
Aristoteles, De staatsinrichting van Athene, Amsterdam: Boom 2019, p. 27; Buijs 2014, p. 33-35, J. Blok 2017, Van der Pot/Donner 1968, p. 5 en Kranenburg 1937, p. 13, 19.
P.N. Riesenberg, Citizenship in the western tradition, Chapel Hill: UP of North Carolina 1992; vgl. K. Brotbeck, Mensenschool. Pedagogie in het verleden - taken voor de toekomst, Rotterdam: Lemniscaat 1979. Griekse kinderen worden door het ontbreken van het vormingsideaal niet onderwezen in de instrumentele culturele vaardigheden lezen, schrijven en rekenen. Deze vaardigheden worden door een daarvoor betaalde slaaf -de pedagogos- geleerd (p.22-23) en De Rooy 2018, p. 19.
F. Naerebout, Griekse democratie, Amsterdam: Salomé-AUP 2005, p. 22 e.v.; A.L.R. Vermeer, Philipp A. Kohnstamm over democratie, Kampen: Kok 1987, p. 40-41 en D. Loenen 1946.
De Volksvergadering kon een redenaar doen verbannen door stemming met een kerf in een potscherf. Degene met de meeste kerven werd tien jaar uit de stad verbannen: Naerebout 2005, p. 72.
Naerebout 2005, p. 28.
Ibid., p. 27.
Ibid., p. 129.
Ibid., p. 22, 29-30. Attika is een atypische stadstaat, immers geheel Attika met Athene en Piraeus vielen eronder. Athene was een akropolis (bergpolis).
Loenen 1930; vgl. B. de Graaf, ’Burgers en politici, leest Aristoteles’, NRC 1 april 2017.
Vgl. voor hemels burgerrecht: M. Op de Coul, Brief aan Diognetus, Zoetermeer: Meinema 2015, p. 43.
Savater 2013, p. 12; Hendriks 2006, p. 130-131.
Hermesdorf 1965, p. 40 e.v.
Savater 2013, p. 12-13, Lokin & Zwalve 2014, p. 86-87, 99.
Civis is afgeleid van ciere: oproepen, bewegen. De burger als lid van de heerban, dat wil zeggen, in de centuriënindeling van honderd man leger, en Kunkel 1965, p. 25.
M. Kaser & F. Wubbe, Romeins privaatrecht, Zwolle: TjeenkW 1966, p. 28-32; Hermesdorf 1965, p. 48, 138, 227 en Hekster 2006, 54, p. 14-15.
Kunkel 1965, p. 21, 24 (vermogensbelasting).
F. Savater 2013, p. 12.
D. Heater, Citizenship, London: Routledge 1990, p. 19.
K. Brotbeck 1979, p. 24-25, 33 (Humilitas als deugd van de nederigheid).
Ibid., p. 25.
Ibid., p. 26-27 (‘Homo sum, nil humani a me alienum puto’).
Heater 1990, p. 19, Hekster & Moormann 2007, p. 109 e.v. en Naerebout 2005, p. 83.
Savater 2013, p. 147, 162.
Hekster & Moormann 2007, p. 109, Brotbeck 1979, p. 27 en Janssen & Visser 1970, p. 21, 23-24, 49, 51.
Brotbeck 1979, p. 28 en Janssen & Visser 1970, p. 23.
Rombouts 1927, p. 38-40, 105.
Zoön politikon
In het denken in de antieke oudheid wordt de mens gezien als een microkosmos die zich moet richten op de macrokosmos van een objectief voorgegeven universele orde.1 In de tweevoudige definiëring door Aristoteles (384-322 v. Chr.) van de mens als zoön logon echon, een levend wezen met logos (rede) begaafd en als zoön politikon, een gemeenschapswezen, is een wederkerige relatie gegeven.2 De autonome persoonlijke logos is een voorwaarde voor het ontstaan van gemeenschappen, terwijl een gemeenschap het noodzakelijke kader vormt, waarbinnen de persoonlijke logos zich ontwikkelt ten behoeve van het persoonlijke belang en de collectiviteit.3
Demokrateia
In de Atheense democratie (demokrateia: ‘macht aan het volk’) aan het eind van de vijfde eeuw v.Chr. is een man een burger op grond van het eerstegraads bloedverwantschap: ouders dienen van zuiver Attisch bloed te zijn. Is dat niet het geval, dan is men van het burgerschap en de daarbij behorende privileges uitgesloten.4 Alleen deze in tien stammen levende burgers delen in het politiek-bestuurlijke leven en het rechtswezen (schervenrecht of ostracisme).5 Vrouwen (politis) genieten een bijzondere status; zij gelden als minderjarigen en verkeren zonder juridische en politieke rechten, maar dragen wel de toekomstige burgers: ‘zonder burgeressen geen polis (gemeenschap)’.6 Het uitoefenen in de Volksvergadering (ekklesia) van het Attisch burgerschap voor jongelieden ouder dan twintig jaar vergt een publieke ruimte (agora) voor het debat onder gelijken (isègoria) dat gevoerd wordt over de politieke (basis)waarden. De Atheense democratie was een dispuuts- of discourscultuur.
Polis
Politiek is gekoppeld aan het concept van de Griekse polis. Het gaat om de idee van een soevereine bestuurseenheid (stadstaat), waar voor de eerste keer in de geschiedenis door bewoners (politai) beschouwingen zijn gehouden over staat en instellingen, besturen en politiek handelen.7 De polis is een gemeenschap van burgers die een politeia, een democratische staatsinrichting, vormt.8 Zonen van burgers krijgen met het bereiken van de leeftijd van achttien jaar het burgerrecht (afstammingsrecht). Iedere burger kan strafrechtelijk in een situatie van eerloosheid en verlies van burgerschap geraken. Verdienstelijke vrije mannen, vrouwen en kinderen kunnen burgerrechten verkrijgen, evenals de xenoi, rondtrekkende vreemdelingen, of de metoikoi, migranten.9 Het juridisch burgerschap in de Griekse polis is verbonden met de status van geprivilegieerd burger, met rechten als deelnemen aan het openbaar bestuur en rechterlijke werkzaamheden, en met plichten als de dienstplicht.10 Voor de verkrijging van burgerschap bestaan geen economische criteria.11 Het impliceert in de Griekse discourscultuur: (a) de deelname aan de politieke besluitvorming in de Volksvergadering als hoogste orgaan op polisniveau, (b) deelname aan de juryrechtspraak, (c) vervulling van de militaire dienstplicht en (d) het bekleden van bestuursambten. Wie niet deelneemt, zet zich neer als idiotos (leek). Deze is ‘niet in staat te begrijpen dat men als gemeenschap […] op elkaar is aangewezen om in vrijheid te kunnen leven’.12
Civitas Romana
Het Romeinse begrip ‘burger’ (civis), te karakteriseren als Civitas Romana, behelst het volledig burgerrecht van het Romeinse volk, en impliceert de erkenning als burger met connexe rechten.13 Daaronder valt niet het regeerrecht. Dat recht is voorbehouden aan de aristocratie (patriciërs) als een bovenlaag van de klassensamenleving.14 De civitas Romana ontwikkelt zich van Romeinse burgerstatus tot een verkrijgbare status voor verdienstelijke personen en soldaten met een vijfentwintig jarige staat van dienst bij de ruiterij.15 De privileges als het ius suffragi (actieve kiesrecht) en het ius connubii (huwelijksrecht) voor de vrije rijksonderdanen zijn daaraan verbonden.16 Civitas krijgt de betekenis van ‘gemeenschap van burgers’. Nieuwe burgers zijn dienstplichtig en verschaffen tributum (belasting).17 Het verschil in burgerschap bij de Grieken en Romeinen benadert Savater met de indeling van Grieks burgerschap als actief en het Romeinse als passief.18 Grieks burgerschap impliceert de ontwikkeling van politieke activiteiten en de besluitvorming in het stadsbelang; bij de Romeinen impliceert het burgerschap het bezit van rechten.19
Humanitas
Het Romeinse levensideaal kenmerkt zich door de persoonsvorming en het bijbrengen van de humanitas, ‘het gevoel voor wat menselijk is’.20 De jonge Romein wil zich laten gelden en zich zo in de wereld manifesteren. De wil om het ego uit te dragen is een belangrijke impuls geweest voor de expansiedrift van de Romeinen die tot hun heerschappij heeft geleid.21 Met het ideaal van de humanitas is het menselijke ten opzichte van het staatkundige weergegeven.22
Grieken scholen meer in democratisch burgerschap dan de Romeinen met hun imperialistisch-militaire oriëntatie.23 Zo moet een tot de hogere klasse behoren de Romein beschikken over militaire bekwaamheid, terwijl dat van zijn Griekse tegenhanger niet vereist is. Daarnaast dient de Romein te beschikken over retorische gaven.24 Hiervoor zijn retorico-historische boeken als Cicero's De oratore en Quintilianus' De institutione oratoria in omloop.25 Het doel van Quintilianus is gericht op de toerusting met de trivialis scientia (basale kennis)26 en de scholing in de retorica.27