Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.10:4.3.4.10 Slotsom
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.10
4.3.4.10 Slotsom
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496535:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 29 lid 6 Wet OB 1968 bevat een indeplaatstredingsregeling bij de overdracht van vorderingen. In deze paragraaf heb ik uitgebreid stilgestaan bij de betekenis van deze regeling. Ik heb vastgesteld dat een gebrek aan een nadere invulling van de term ‘overdragen’ tot verwarring kan leiden. In het verlengde hiervan heb ik mijn bezwaren geuit tegen de keuze van de wetgever om de regeling te beperken tot ondernemers. Mijns inziens zou de regeling erbij gebaat zijn als ook niet-ondernemers onder de reikwijdte van art. 29 lid 5 Wet OB 1968 zouden worden geschaard. Omdat de regeling met name in de factoringpraktijk een rol van betekenis zou moeten (gaan) spelen, heb ik de lezer een inkijk in de factoringpraktijk gegeven. Het factoorsbesluit heb ik vervolgens als opstapje gebruikt om de rechtsfiguur van cessie (en schuldoverneming) te behandelen. Ik kom tot de conclusie dat het in de praktijk aardig wat voeten in de aarde zal hebben om de rechten (en verplichtingen) van art. 29 Wet OB 1968 krachtens het civiele recht over te dragen. Dit zou echter wel mogelijk moeten zijn. Het alternatief van cessie komt met name op ingeval een indeplaatstredingsregeling wenselijk is, maar art. 29 lid 6 Wet OB 1968 toepassing mist of niet verenigbaar is met het Unierecht. Wat betreft dit laatste meen ik dat de geldigheid van de regeling op losse schroeven staat vanwege het ontbreken van een duidelijke Unierechtelijke basis. Over de verhouding tot het rechtskarakter heb ik volstaan met een verwijzing naar hetgeen ik heb overwogen bij de andere onderdelen van art. 29 Wet OB 1968. Tot slot heb ik vraagtekens gezet bij het antwoord op de vraag of de regeling beantwoordt aan de vereenvoudigingsdoelstelling van de wetgever.