Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/2.2
2.2 Het vertrekpunt: Marbury v. Madison (1803)
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233597:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 24 februari 1803, 5 U.S. 137 (Marbury v. Madison).
Idem, p. 177-178.
Idem: ‘So, if a law be in opposition to the Constitution, if both the law and the Constitution apply to a particular case, so that the Court must either decide that case conformably to the law, disregarding the Constitution, or conformably to the Constitution, disregarding the law, the Court must determine which of these conflicting rules governs the case. This is of the very essence of judicial duty. If, then, the Courts are to regard the Constitution, and the Constitution is superior to any ordinary act of the Legislature, the Constitution, and not such ordinary act, must govern the case to which they both apply.’
Zie artikel III, § 1, van de Amerikaanse Grondwet: ‘In all Cases affecting Ambassadors, other public Ministers and Consuls, and those in which a State shall be Party, the Supreme Court shall have original Jurisdiction. In all the other Cases before mentioned, the Supreme Court shall have appellate Jurisdiction, both as to Law and Fact, with such Exceptions, and under such Regulations as the Congress shall make.’
U.S. Supreme Court 24 februari 1803, 5 U.S. 137 (Marbury v. Madison), 175-176.
Idem, p. 170.
Zie bijv. Shemtob 2016, p. 1005; Cole 2014, p. 3-4; Michel 2013, p. 254-255; Barkow 2007, p. 24-28; Rotunda 2004, p. 1-4; Breyer 2016, p. 19-20; De Werd 2004, p. 72-73.
U.S. Supreme Court 24 februari 1803, 5 U.S. 137 (Marbury v. Madison), 166.
De Werd 2004, p. 73. Zie in dezelfde zin Rotunda 2004, p. 2: ‘In reaching his conclusion, Marshall wanted to mollify those who thought the Court was taking too much power.’ Vgl. ook Janse de Jonge 2012a, p. 52-55; Barkow 2007, p. 27-29.
De zaak Marbury v. Madison vormt het vertrekpunt van de Amerikaanse political question-doctrine.1 Deze zaak is een van de belangrijkste zaken uit de geschiedenis van het Hooggerechtshof en heeft betrekking op de bevoegdheid van de federale rechter om wetten te toetsen aan de Amerikaanse Grondwet. Marbury v. Madison betrof een geschil over de benoeming van Marbury als rechter vlak vóór het einde van de ambtstermijn van President John Adams en het aantreden van Thomas Jefferson als diens opvolger. Marbury had bij het aantreden van Jefferson zijn benoemingsbrief, waarmee de benoemingsproce- dure zou worden afgerond, echter nog niet ontvangen. De nieuwe verantwoordelijke minister, James Madison, weigerde Marbury’s benoemingsbrief alsnog te overhandigen. Marbury probeerde dit voor de rechter af te dwingen. De Judiciary Act uit 1789 voorzag in de mogelijkheid voor het Hof om een bevel daartoe aan de minister te geven.
Het Hof stelde allereerst vast dat Marbury op zichzelf recht had op zijn benoeming en daarom aanspraak kon maken op de aan deze functie verbonden vergoeding. Vervolgens zag het Hof zich voor de vraag gesteld of de in de Judiciary Act uit 1789 opgenomen bevoegdheid voor het Hof om een bevel aan de verantwoordelijke minister te geven verenigbaar was met de in de Amerikaanse Grondwet omschreven functie van het Hof als hoogste federale rechter. Tot die tijd was de bevoegdheid van de federale rechter om de grondwettigheid van wetgeving na te gaan geen vanzelfsprekendheid. Integendeel: eerst in Marbury v. Madison trok het Hof deze bevoegdheid uitdrukkelijk naar zich toe.
De voorzitter van het Hof, Chief Justice Marshall, stelde hierbij voorop dat de federale rechter niet alleen bevoegd, maar ook verplicht is de wet uit te leggen en toe te passen:
‘It is emphatically the province and duty of the judicial department to say what the law is.’2
Indachtig de taak van de rechter om de wet uit te leggen en toe te passen, en in aanmerking genomen dat de Amerikaanse Grondwet voorrang heeft op lagere wetgeving, concludeerde Marshall dat de federale rechter bevoegd en verplicht is de grondwettigheid van wetgeving na te gaan. Komt hij tot de conclusie dat de toepassing van een wettelijk voorschrift in strijd is met de Amerikaanse Grondwet, dan dient hij dat voorschrift buiten toepassing te laten.3
Een dergelijke strijdigheid deed zich in deze zaak voor. Marshall concludeerde dat de in de Judiciary Act uit 1789 neergelegde bevoegdheid van het Hof om de minister een bevel te geven onverenigbaar was met de grondwettelijk omschreven functie van het Hof. Deze functie houdt in dat het Hof als hoogste federale rechter belast is met de behandeling van beroepen tegen uitspraken van lagere rechters. Alleen in een beperkt aantal, nader in de Amerikaanse Grondwet omschreven gevallen, treedt het op als rechter in eerste en enige aanleg.4 Volgens Marshall vormde de toekenning van de bevoegdheid om de verantwoordelijke minister een bevel te geven een uitbreiding van de rechtsmacht van het Hof die onverenigbaar was met de Amerikaanse Grondwet. De Judiciary Act uit 1789 diende daarom in zoverre buiten toepassing te blijven. Voor het Hof was het daardoor niet mogelijk om het door Marbury gevraagde bevel te geven.5
Hoewel het Hof Marbury aldus geen rechtsherstel kon bieden, was de erkenning van de toetsingsbevoegdheid van groot belang voor de Amerikaanse rechtspraktijk. Sindsdien staat vast dat de federale rechter bevoegd is wetten op hun verenigbaarheid met de Amerikaanse Grondwet te toetsen. Voor dit onderzoek is van belang dat het Hof hieraan voorafgaand echter een belangrijk voorbehoud maakte:
‘The province of the Court is solely to decide on the rights of individuals, not to inquire how the Executive or Executive officers perform duties in which they have a discretion. Questions, in their nature political or which are, by the Constitution and laws, submitted to the Executive, can never be made in this Court.’6
Met deze overweging legde het Hof de basis voor de Amerikaanse political question-doctrine.7 Daarin maakte het duidelijk dat zich ook geschillen kunnen voordoen waarover de rechter zich niet behoort uit te spreken, omdat daarin vragen of beslissingen van de andere staatsmachten aan de orde zijn die naar hun aard een politiek karakter hebben, of omdat zij moeten worden geacht grondwettelijk gezien aan de andere staatsmachten te zijn voorbehouden.
Uit de hiervoor weergegeven overweging volgt dat het Hof hierbij in het bijzonder het oog had op discretionaire beslissingen van de andere staatsmachten. Het Hof overwoog elders in Marbury v. Madison:
‘By the Constitution of the United States, the President is invested with certain important political powers, in the exercise of which he is to use his own discretion, and is accountable only to his country in his political character and to his own conscience.’8
Dit voorbehoud maakt het oordeel van het Hooggerechtshof in Marbury v. Madison enigszins tegenstrijdig. Waar het Hof enerzijds de bevoegdheid om de grondwettigheid van wetgeving te toetsen uitdrukkelijk naar zich toetrok, toonde het zich anderzijds ook bewust van zijn positie binnen de trias, door te erkennen dat er geschillen kunnen zijn waarover de rechter zich niet moet uitspreken. Daarbij moet echter worden bedacht dat de positie van het Hof destijds niet onomstreden was. Eerst in Marbury v. Madison erkende het Hof de toetsingsbevoegdheid van de rechter. De conclusie van het Hof dat het Marbury geen rechtsherstel kon bieden door het uitspreken van het gevraagde bevel, was een door de regering gewenste uitkomst en maakte de toetsingsbevoegdheid, samen met het hiervoor bedoelde voorbehoud, vermoedelijk beter te aanvaarden. De Werd spreekt in dit verband treffend over ‘constitutioneel wisselgeld’:
‘Is het toeval dat de conceptie van de political question doctrine samenvalt met het moment waarop [het Hooggerechtshof] zich bevoegd acht tot toetsing van federale wetten aan de Grondwet? Wellicht is er toch méér samenhang tussen beide dan uit Marbury zélf valt af te leiden. Niet ondenkbaar is dat hier een (eerste, vage) notie van een political question doctrine, als wisselgeld diende voor het ‘binnenhalen’ van een constitutioneel toetsingsrecht.’9