Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.3.1
13.3.3.1 Is de Hoge Raad omgegaan in het arrest van 8 april 2022?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940299:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2.
In deze zin: de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekeningen bij HR 8 april 2022, V-N 2022/17.10 en bij de Conclusie van A-G Niessen van 31 augustus 2022, V-N 2022/42.22, alsmede Haas in zijn noot bij HR 8 april 2022, BNB 2022/68 (punt 3). Anders: G.J.M.E de Bont, ‘Boetebewijsrecht’, opgenomen in Essers e.a. 2022.
Naar mijn stellige indruk is ‘buiten redelijke twijfel’ de vertaling van ‘beyond reasonable doubt’ en zit daar inhoudelijk geen verschil tussen. In dezelfde zin: Haas in zijn noot bij HR 8 april 2022, BNB 2022/68 (punt 2).
Zie r.o. 4.11 van de Hofuitspraak, kenbaar uit HR 23 juni 1993, BNB 1993/272.
HR 23 juni 1993, BNB 1993/272, FED 1993/591, V-N 1993, p. 2370, punt 24, r.o. 3.16.
De Hoge Raad stelde alleen vast dat het Hof had geoordeeld dat het bewijs ‘beyond reasonable doubt’ was geleverd.
Koopman 1996, p. 186-187.
Møller 2008, par. 4. Hij merkt hierbij op dat daarmee niet is gezegd dat de strafrechtelijke bewijsregels (zoals de regel dat er ten minste twee bewijsmiddelen moeten zijn) ook integraal van toepassing zijn: dat is gelet op vaste jurisprudentie immers niet het geval. Zie daaromtrent nader paragraaf 8.2.3 en paragraaf 13.3.1 hiervoor.
Zie bijvoorbeeld Feteris 2002, p. 378 en Rosier 2013. Ook de Redactie Vakstudie-Nieuws spreekt in de Aantekening bij Rb Zeeland-West-Brabant 5 december 2018, V-N 2019/32.22, van ‘aannemelijk maken’.
Punt 6 van zijn noot bij HR 23 juni 1993, BNB 1993/272. Naar mijn mening heeft Wattel zulks ten onrechte afgeleid uit de in r.o. 3.16 bevestigend beantwoorde vraag of voor het bewijs van de boete überhaupt gebruik mag worden gemaakt van vermoedens. Dat is een vraagstuk van een geheel andere orde (en betreft de rol en betekenis van het vermoeden als bewijsmiddel), waaromtrent nader in paragraaf 13.3.5.3.1 hierna en (in algemene zin) in paragraaf 10.2.2. Overigens kan uit zijn latere Conclusie bij HR 21 maart 2008, BNB 2008/159 (par. 5.4) worden afgeleid dat Wattel niet van mening is veranderd.
Conclusie bij HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44 (par. 8.3).
In het arrest van 8 april 2022 verwees de Hoge Raad wel naar één van deze KBLux-arresten, zie HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2 (voetnoot 2).
Zie bijvoorbeeld HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.4. Zie over de betreffende arresten nader paragraaf 9.3.3.3.2 en paragraaf 16.6.2.
HR 7 november 2014, V-N 2014/58.7, r.o. 2.3.5.
HR 25 juni 1997, BNB 1997/275, r.o. 4.3.1. Idem: HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.5.3, HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, vanaf r.o. 3.4.1 (ook: ‘het bewijs is geleverd’, r.o. 3.4.2, ‘het bewijs’, r.o. 3.5.2 en ‘het bewijs mag worden ontleend’, r.o. 3.5.5). Zie ook paragraaf 7.3.8.1.
HR 5 november 2021, V-N 2021/48.15, BNB 2022/3, r.o. 2.7.2. Zie over deze specifieke context nader paragraaf 15.4.3.3. Opvallend is dat de Hoge Raad in dit kader eerder de term ‘bewezen’ gebruikte (zie HR 10 april 2009, BNB 2009/148, r.o. 3.3) en later ook – met betrekking tot de verzending – ‘aannemelijk maken’ (zie HR 5 juli 2019, V-N 2019/33.19, BNB 2019/142, r.o. 2.4.2). In HR 17 juni 2022, V-N 2022/27.15, BNB 2022/119, r.o. 2.5.1 en in HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, BNB 2023/73, r.o. 3.4.2 hanteerde de Hoge Raad met betrekking tot de verzending echter de formule ‘overtuigend aantonen’.
Zie de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 8 april 2022, V-N 2022/17.10 en Haas in zijn noot bij HR 8 april 2022, BNB 2022/68 (punt 3).
Zie in deze zin ook de Aantekeningen van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Hof Den Haag 13 december 2022, V-N 2023/14.21 en bij Hof Den Haag 21 juli 2022, V-N 2022/49.14.
Zie ook paragraaf 13.3.5.2 hierna.
Zie paragraaf 7.3.5.5.
Zie hierover nader paragraaf 13.3.5.3.1. Zie ook paragraaf 7.3.9.3.3.
Zie HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2 (voetnoot 2), waarin de Hoge Raad het arrest HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945 aanhaalt.
Voor een voorbeeld zie Hof Arnhem 25 augustus 2009, nr. 08/0252 (r.o. 4.9), kenbaar uit HR 28 oktober 2011, V-N 2011/53.15, BNB 2012/25. In deze casus achtte het Hof voorwaardelijk opzet op grond van het bijgebrachte bewijs aannemelijk. De aanwezigheid van voorwaardelijk opzet werd in cassatie wel bestreden, maar de gehanteerde bewijsgradatie als zodanig niet. De Hoge Raad greep toen echter niet ambtshalve in en het Hofoordeel bleef in stand. Ook in HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207 had het Hof ten aanzien van het bewijs van de schuldgradatie de term aannemelijk gehanteerd (zie r.o. 4.6.5 van de Hofuitspraak). Het bewijs van de opzet was in cassatie weliswaar in geschil, maar tegen de bewijsgradatie als zodanig was opnieuw geen afzonderlijk cassatiemiddel gericht. De Hoge Raad greep ook bij deze gelegenheid niet ambtshalve in (zie r.o. 3.11.1-3.11.5).
Het middel beperkte zich tot het element van het kale beboetbare feit. De formuleringen van het cassatiemiddel lijken er overigens op te wijzen, dat de stelling inhoudt dat het strafrechtelijk vereiste van ‘wettig en overtuigend’ bewijs ook voor de fiscale boete moet gelden.
HR 14 november 2014, V-N 2014/59.6, BNB 2015/46. Het betrof een zaak waarin het ging om een zogeheten oogst-op-stamconstructie. Raadsheer Gladpootjes had de schijn tegen, nu hij in zijn vorige functie bij het Ministerie van Financiën lid was geweest van de Coördinatiegroep Constructiebestrijding van de Belastingdienst. De Hoge Raad oordeelde dat aldus de objectief gerechtvaardigde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid heeft kunnen ontstaan. De zaak werd verwezen naar Hof Amsterdam voor een nieuw onderzoek in volle omvang. De afloop is mij onbekend.
Conclusie A-G IJzerman 9 juli 2014, V-N 2014/50.6, par. 10.
Een aanwijzing daarvoor is dat de Hoge Raad in het arrest zelf niet heeft opgemerkt dat hij is omgegaan (zie daarover ook Den Ouden in V-N 2022/56.0).
HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2 (voetnoot 3). Blijkens het jaaroverzicht van de Commissie rechtseenheid bestuursrecht 2022 is dat welbewust gebeurd (zie V-N 2023/14.20).
In casu: de beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering van een bijstandsuitkering.
CRvB 28 juni 2016, RSV 2016/156, r.o. 4.10 (deze uitspraak noemde de Hoge Raad overigens niet). Deze opvatting sluit aan bij de lijn uit het algemene bestuursrecht, die inhoudt dat hoe meer het besluit ingrijpt in de rechtspositie van de belanghebbende, hoe groter de zekerheid omtrent de feiten moet zijn (zie paragraaf 4.3.8). De opvatting dat er bij punitieve sancties in het (generieke) bestuursrecht een zwaardere gradatie nodig is dan aannemelijk maken, is dan ook niet nieuw, zie Embregts 2005, par. 3.2 (voetnoot 31).
De CRvB haalde het arrest HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945, r.o. 4.8.3 aan: in die rechtsoverweging verwijst de Hoge Raad naar het EHRM-arrest Barberà, Messegué en Jabardo (zie daarover paragraaf 13.3.1), waarin de stelregel is neergelegd dat elke twijfel ten voordele van de boeteling moet werken.
Overigens niet steeds met de exacte woorden ‘buiten redelijke twijfel’.
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2014, V-N 2014/39.4, r.o. 4.6. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2017, V-N 2018/11.4, r.o. 4.22. Het Hof spreekt van ‘voldoende overtuigend bewijs’ en ‘het voordeel van de twijfel’. Zie ook Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6, r.o. 5.9.3 (‘niet zonder gerede twijfel’). Hof Den Haag 5 januari 2021, V-N 2021/14.21.11 overweegt in het kader van de overtuigingskracht van vermoedens eerst dat de daaruit af te leiden opzet ‘buiten redelijke twijfel’ moet zijn (r.o. 5.1.2), maar oordeelt vervolgens dat met behulp van een niet-ontzenuwd vermoeden de opzet ‘aannemelijk’ (r.o. 5.7) is. Dat is naar mijn mening niet met elkaar te rijmen.
Hof Den Haag 20 april 2021, V-N 2021/30.29.26, r.o. 5.9 (ondanks een verwijzing in r.o. 5.1 naar het arrest van de Hoge Raad uit 1993), Hof Den Haag 5 januari 2021, V-N 2021/14.21.11, r.o. 5.7, Hof ’s-Hertogenbosch 16 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:131, r.o. 4.17-4.18 (zie voor de afloop HR 4 februari 2022, V-N 2022/8.16, BNB 2022/44; de uitspraak werd om een andere reden gecasseerd), Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, V-N 2020/16.24, r.o. 4.16-4.17, Rb Zeeland-West-Brabant 21 december 2018, V-N 2019/27.5, r.o. 4.11, Hof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2018, V-N 2019/15.14, r.o. 4.5, Hof Den Haag 10 juli 2018, V-N 2018/65.19, r.o. 7.8, Hof ’s-Hertogenbosch 22 maart 2018, V-N 2018/29.1.1, r.o. 4.17 (zie voor de afloop HR 29 maart 2019, V-N 2019/18.19.4, art. 81 Wet RO), Hof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, V-N 2018/57.1.8, r.o. 4.4 en 4.8, Hof Amsterdam 22 mei 2018, V-N 2018/56.19 (Hof Amsterdam nam na verwijzing de bewijsoverwegingen van Rb Den Haag en Hof Den Haag over, die spraken van aannemelijk maken, zie r.o. 6.1), Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22, r.o. 4.29-4.33, Hof Arnhem-Leeuwarden 5 september 2017, NTFR 2017/2672, r.o. 4.20-4.21 (zie voor de uiteindelijke afloop HR 15 maart 2019, V-N 2019/17.3 (art. 81 Wet RO), Hof Amsterdam 11 juli 2017, V-N 2017/52.15, r.o. 6.9, Hof Den Haag 2 mei 2017, V-N 2017/37.15, r.o. 7.10, Hof Arnhem-Leeuwarden 5 april 2017, V-N 2017/30.17.39, r.o. 4.5-4.7, Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, V-N 2017/30.5, r.o. 4.15, Rb Den Haag 24 november 2016, V-N 2017/7.5, r.o. 23, Hof ’s-Hertogenbosch 16 juni 2016, V-N 2016/67.5, r.o. 4.11, Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2014, V-N 2014/45.6, r.o. 4.9, Hof ’s-Hertogenbosch 12 december 2014, V-N 2015/15.14, r.o. 4.49, Hof ’s-Hertogenbosch 2 juni 1995, V-N 1996, p. 1817, r.o. 3.2, Hof Den Haag 30 maart 2016, V-N 2016/32.7, r.o. 7.5 en 7.7.
In zijn arrest van 8 april 2022 heeft de Hoge Raad bepaald dat het bewijs van de bestanddelen van een beboetbaar feit ‘buiten redelijke twijfel’ moet worden geleverd.1 Dat oordeel kwam voor sommigen als een volslagen verrassing en werd door hen gezien als een omslag in de jurisprudentie van de Hoge Raad.2
Uit eerder gewezen arresten kon naar mijn mening echter al worden afgeleid dat de Hoge Raad voor het bewijs van de centrale stellingen ‘beyond reasonable doubt’ als bewijsgradatie voor ogen had. Reeds in een arrest uit 1993 bediende de Hoge Raad zich van de formule ‘buiten redelijke twijfel’.3 Het Hof had geoordeeld dat als bewijsgradatie de norm ‘een redelijke mate van zekerheid’ gold, maar ook dat de inspecteur (veel) meer dan dat had gedaan, namelijk dat hij ‘overtuigend had aangetoond’.4 De Hoge Raad overwoog vervolgens: [cursivering van mij]
‘Anders dan belanghebbende meent is het Hof kennelijk van oordeel dat het buiten redelijke twijfel is dat door opzet van belanghebbende te weinig loonbelasting is ingehouden en afgedragen.’5
De Hoge Raad liet de vraag óf de gradatie ‘beyond reasonable doubt’ überhaupt gold voor fiscale bestuurlijke boetes in dit arrest onbeantwoord.6 Niettemin meende Koopman dat de Hoge Raad met de geciteerde overweging impliciet had erkend dat er in fiscale boetezaken een van het algemene fiscale bewijsrecht afwijkende gradatie geldt (te weten het strafrechtelijke ‘beyond reasonable doubt’).7 Ook Møller heeft uit het arrest afgeleid dat de Hoge Raad voor wat betreft de vereiste gradatie aansluiting heeft gezocht bij het strafrecht.8 In de literatuur kwamen echter ook andere opvattingen voor.9 Wattel zag in het arrest van de Hoge Raad zelfs een bevestiging dat de bewijsgradatie voor wat betreft de boete niet afwijkt van het algemene fiscale bewijsrecht (zodat de basisgradatie aannemelijk maken geldt).10 Ook A-G Niessen heeft zich op het standpunt gesteld dat aannemelijk maken in de boetesfeer voldoende is.11
De jurisprudentie van de Hoge Raad die na het arrest uit 1993 is gewezen, gaf geen uitsluitsel. Wel onderken ik daarin een patroon, dat erop duidt dat de Hoge Raad lange tijd in het midden heeft willen laten welke bewijsgradatie nu precies is vereist in boetezaken. Zo gaf de Hoge Raad in de KBLux-arresten uit 2011 voor wat betreft het bewijs van de boetes een verwijzingsopdracht, waarin de term ‘aannemelijk maken’ of ‘buiten redelijke twijfel’ niet werd gebruikt.12 In plaats daarvan sprak de Hoge Raad van ‘voldoende overtuigend bewijs’ en ‘voldoende sterke aanwijzingen’.13 In een ander arrest hanteerde de Hoge Raad de term ‘met voldoende mate van zekerheid’.14 Verder gebruikte de Hoge Raad vaak het neutrale ‘bewijzen’ wanneer hij verwees naar het door de inspecteur te leveren positieve bewijs.15 In een arrest uit 2021 noemde de Hoge Raad (in de specifieke context van de – inmiddels gewijzigde – beoordeling van ontvankelijkheidsvraagstukken in de boetesfeer) wél uitdrukkelijk de gradatie ‘buiten redelijke twijfel’.16
In de annotaties bij het arrest van 8 april 2022 wordt de verbazing over de vermeende koerswijziging van de Hoge Raad verklaard door erop te wijzen dat de Hoge Raad in het verleden nadrukkelijk het gebruik van vermoedens voor het bewijs van de boete heeft aanvaard (onder meer in de KBLux-arresten).17 Omdat vermoedens de lichtste vorm van bewijs zijn (lichter dan aannemelijk maken), zou de Hoge Raad dus echt om zijn gegaan.18 Bovendien zou uit het arrest van 8 april 2022 volgen dat de Hoge Raad afstand heeft genomen van die eerdere jurisprudentie over het gebruik van vermoedens voor het bewijs van de boete. Naar mijn mening berusten al deze gevolgtrekkingen op een onjuiste opvatting over het karakter van vermoedens. Zoals ik in paragraaf 7.3.5.4.2 heb verdedigd, moeten vermoedens worden beschouwd als een zelfstandig bewijsmiddel.19 In beginsel is het mogelijk dat met vermoedens als bewijsmiddel de gradatie ‘beyond reasonable doubt’ wordt gehaald, net zoals het in de sfeer van de heffing mogelijk is om de zware gradatie van ‘doen blijken’ met vermoedens te halen.20 Waar het om gaat, is of die vermoedens bij elkaar opgeteld voldoende overtuigend zijn: dat is een zuivere waarderingskwestie. Het is dus misschien wel onwaarschijnlijk dat de inspecteur het bewijs van het begaan van het beboetbare feit kan leveren met alleen vermoedens, maar dat kan niet bij voorbaat categorisch worden uitgesloten.21 Naar mijn mening kan uit het arrest van 8 april 2022 dan ook niet worden afgeleid dat de Hoge Raad zijn opvatting over het gebruik van vermoedens als bewijsmiddel voor de boete heeft verlaten. Sterker nog, in het arrest van 8 april 2022 verwees de Hoge Raad naar één van de KBLux-arresten, zonder iets over vermoedens op te merken.22
Onduidelijk is wel waarom de Hoge Raad nu juist het arrest van 8 april 2022 heeft aangegrepen om klare wijn te schenken over de vereiste gradatie in de boetesfeer. De Hoge Raad heeft kennelijk niet langer willen wachten op een specifiek op de gehanteerde bewijsgradatie toegesneden cassatiemiddel en casseerde ambtshalve. Het spreekt voor zich dat de Hoge Raad dat ook al (veel) eerder had kunnen doen.23 Mij is overigens slechts één geval bekend waarin de boeteling uitdrukkelijk een specifiek op de vereiste bewijsgradatie gericht cassatiemiddel had voorgesteld, dat inhield dat de boete moest worden gebaseerd op overtuigend bewijs.24 Tot een oordeel over het betreffende cassatiemiddel is het in die zaak echter niet gekomen, omdat een wrakingsklacht tegen één van de raadsheren uit het Hof slaagde.25 A-G IJzerman had zich in zijn conclusie voor het arrest nog wel over de gradatie uitgesproken, waarbij hij de eerdergenoemde lijn van Wattel en Niessen volgde (aannemelijk maken is voldoende).26
Ik houd het erop dat er sprake is geweest van voortschrijdend inzicht en dus op een invulling van de taken die de Hoge Raad heeft op het terrein van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid.27 Een belangrijke aanwijzing daarvoor is dat de Hoge Raad ter onderbouwing van zijn oordeel dat het bewijs van de bestanddelen van een beboetbaar feit ‘buiten redelijke twijfel’ moet worden geleverd, verwees naar de jurisprudentie van de andere hoogste bestuursrechters.28 De CRvB had zich al in 2016 expliciet uitgesproken over de vereiste gradatie bij bestuurlijke boetes (op het terrein van de socialezekerheidswetgeving). De CRvB bepaalde uitdrukkelijk dat – anders dan in de sfeer van het uitkeringsrecht (het equivalent van de heffing)29 – de gradatie aannemelijk maken in de sfeer van de boete niet voldoende is. In plaats daarvan geldt de gradatie aantonen, hetgeen volgens de CRvB inhoudt: buiten redelijke twijfel bewijzen.30 De CRvB leidde dit onder meer af uit één van de KBLux-arresten van de Hoge Raad uit 2011.31 Later (in 2021) volgden de ABRvS en het CBB met gelijkluidende oordelen.32
Ten slotte is nog vermeldenswaard dat tot aan het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2022 in de fiscale feitenrechtspraak geen sprake was van een consistent beeld, ook niet binnen hetzelfde rechtscollege. In sommige gevallen wezen de bewoordingen van de feitenrechter er duidelijk op, dat in boetezaken een zwaardere gradatie dan aannemelijk maken is vereist. Daarbij werd ook de maatstaf van de ‘redelijke twijfel’ in verschillende varianten gehanteerd.33 ‘Aannemelijk maken’ kwam in bewijsoverwegingen in de lagere rechtspraak echter (veel) vaker voor.34