Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.7.6
8.3.7.6 De verklaring voor de discussie over het bepaaldheidsvereiste onder het OBW
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS415980:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Indien het goed door de feitelijke overgave van de zaak kan worden overgedragen of bezwaard, volgt in het algemeen uit de overgave welke goederen bedoeld zijn. Indien de eigenaar echter meer zaken heeft overhandigd dan hij had willen overdragen of in vuistpand had willen geven, zal de uit andere gegevens moeten worden afgeleid welke zaken zijn bedoeld.
Vgl. HR 21 april 1995, NJ 1996/652 (Eemshaven/Curatoren Capcan).
Zo ook Meijers in zijn noot bij HR 13 februari 1936, NJ 1936/443. Vgl. Wiarda 1940, p. 83; Suijling 1936, p. 167.
Veenhoven 1955, p. 48.
Beekhuis 1959, p. 62. Anders: Köster 1964, p. 109.
In zijn conclusie bij HR 22 mei 1953, NJ 1954/189 (Sio/De Jong) m.nt. J. Drion.
HR 13 maart 1959, NJ 1959/579 (Van Vliet q.q./AB) m.nt. L.E.H. Rutten.
Art. 3.9.3.1. Zie: Parl. Gesch. Boek 3, p. 802.
De toepassing van het bepaaldheidsvereiste op de levering en vestiging speelde aanvankelijk geen rol van betekenis in het wetenschappelijke debat onder vigeur van het OBW. De verklaring hiervoor is dat de door het OBW voorgeschreven wijzen van levering en vestiging geen onduidelijkheid lieten bestaan over de vraag wie een absoluut recht op een goed had gekregen. De wetgever had met andere woorden gekozen voor leverings- en vestigingswijzen die deze vaststelling relatief eenvoudig maakten. Een vervreemder leverde roerende zaken in beginsel door feitelijke overgave van de zaak. De feitelijke handeling bepaalde het voorwerp van de levering. Op vergelijkbare wijze bepaalde de feitelijke overgave van een vuistpand het voorwerp van de vestiging van het vuistpandrecht.1 Een openbaar pandrecht op vorderingen kwam pas tot stand nadat partijen mededeling hadden gedaan aan de schuldenaar van de verpande vordering. Onder meer aan de hand van deze kennisgeving kon worden vastgesteld welke vorderingen de vervreemder wilde leveren.2 Een vervreemder leverde onroerende zaken door inschrijving van de transportakte. Uit het specialiteitsbeginsel vloeide voort dat de transportakte een afzonderlijke aanduiding van de zaak bevatte. Hetzelfde gold voor de vestiging van een hypotheekrecht.
Hoewel de Hoge Raad de levering constituto possessorio al in 1885 heeft erkend, begon de discussie over de bepaaldheid van het voorwerp van de levering pas toen de levering constituto possessorio in het kader van de zekerheidsoverdracht in zwang kwam. Zo schreef Meijers in 1936 dat hij de aanduiding ‘alle toekomstige zaken’ onvoldoende bepaald vond.3 Deze mening leek de Hoge Raad in het Sio-arrest ook te zijn toegedaan, door de onderhavige levering constituto possessorio af te zetten tegen de aanduiding ‘alle in de toekomst aan te schaffen machines’.
In de paragrafen hiervoor heb ik uiteengezet waarom ik meen dat het bepaaldheidsvereiste geen middel is om generale zekerheid te verhinderen. Ik kan de overweging van de Hoge Raad in het Sio-arrest niet anders kwalificeren dan als een afkeer van generale zekerheid. De afkeer van generale zekerheid werd immers ook in de literatuur geventileerd. Niet alleen Meijers was tegen generale zekerheid gekant. Veenhoven schreef bijvoorbeeld in zijn proefschrift dat een generale overdracht een ongeoorloofde oorzaak kon hebben, omdat zij ‘de overige schuldeisers elke verhaalsmogelijkheid’ ontnam.’4 Beekhuis was geen groot voorstander van generale zekerheid, maar wilde het bepaaldheidsvereiste niet oprekken om generale zekerheid tegen te gaan.5
De Hoge Raad was door A-G Eggens gewezen op de juiste interpretatie van het bepaaldheidsvereiste. Hij had immers in zijn conclusie voor dit arrest geschreven dat de aanduiding van het object voldoende was bepaald, ‘wanneer de overeenkomst de betrokken goederen zodanig bepaalt, dat deze daardoor – volledig – bepaalbaar zijn en bepaald zullen zijn op het moment, waarop, naar het door partijen daarbij uitgedrukte doel, dit doel is bereikt.’6 De Hoge Raad heeft er bewust voor gekozen Eggens’ benadering niet toe te volgen ten aanzien van de aanduiding ‘alle in de toekomst aan te schaffen machines’
In het arrest Van Vliet q.q./AB oordeelde de Hoge Raad dat een aanduiding als ‘alle bedrijfs- en handelsvoorraden’ die de schuldenaar ten tijde van de overdracht had en in de toekomst zou verkrijgen voldoende was bepaald.7 Het college huldigde in dit arrest een opvatting over het bepaaldheidsvereiste zoals die voortvloeit uit de systematiek van het burgerlijk recht. Kennelijk zag het geen bezwaren meer tegen generale zekerheid. Mogelijk speelde mee dat in de tussentijd het Ontwerp Meijers voor een nieuw BW was verschenen waarin Meijers een registerpandrecht had opgenomen dat in beginsel generaal van aard was.8