Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.2.2
9.2.2 Democratische waardenvorming
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977168:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Commissie-De Rooy 2001, p. 136.
Ibid., p. 138.
Onderwijsraad 2003, p. 63.
Wet actief burgerschap en sociale integratie van 9 december 2005, Stb. 2005, nr. 678; vgl. Rijpkema e.a. 2014, p. 118-121.
WRR 2003, p. 13, 216-229, 267-268.
Ibid., p. 13.
Ibid., p. 228.
Vgl. S. de Jong, ’Waarden hoeven we niet te delen. De toekomst wel’, NRC 4 februari 2006.
Commissie-Van de Donk WRR 2008; Hirsch Ballin 2013, p. 18.
Vgl. voor contextualisering van burgerschap: De Jong 2014 en R. van Reekum, Out of character: Debating Dutchness, Narrating Citizenship, (diss. UvA), 2014.
Onderwijsraad 2003, p. 1; ´De rechtsstaat Nederland, AA juli 2004, Th. Geurts, ’Heeft burgerschapsvorming burgerrecht in school?’, Reflexief 2006, 2, p. 23-27, Nussbaum 2011, p. 25, J. de Kievid, ’Politicoloog Robert Dahl. Ongelijkheid schendt democratisch proces’, M & P 2014, 04, p. 18-19, H. Stout & M. de Jong, ´De rechtsstaat, de staat voorbij?’, M & P 2016, 03, p. 14-19, Corstens 2015 en 2012, p. 10-12 en Hendriks 2006, p. 36.
Vgl. G. de Bruin, ‘Hoe polarisatie de school binnenkomt’, Verus Magazine 2017, 4, p. 5-7.
Peschar e.a. (red.) 2010, p. 43 e.v; Brief van de minister van BZK van 18 januari 2010 (Bouwstenen van burgerschap): Kamerstukken II 2009/10, 29614, nr. 20; vgl. E. Rietveld-van Santvoord, ´Sociale competentie en burgerschap in de klas´, JSW 2007, p. 34-36.
Zie: T. Barkhuysen, ’Is onze rechtsstaat Trump-proof?’, NJB 2017, p. 471 en C.E. Droin, ’Naar een betere grondwet en een grondwettelijk hof’, NJB 2023, p. 3373.
Vgl. B. van der Hoek, ´Nadenken over maatschappij zonder pasklare antwoorden van wiskunde’, M & P 2014, 6, p. 12-13, J. Holsteyn, ´Democratie is toch niet voor bange mensen?’, Trouw 6 april 2016 en S. van Bijsterveld, ’CDA komt met begrenzing vrijheden juist op voor rechtsstaat’, Trouw 28 september 2016.
Onderwijsraad 2003, p. 9-10; H. van Gunsteren, ´Burgerschap in Nederland 1992-2008: voortschrijdend inzicht?´, B en M 2009, p. 140.
Zie: P. Winsemius e.a., ‘Democratie en de buurt’, in: Engelen & Dhian Ho 2004, G. Dielessen e.a., ’Lessen in burgerschap: buiten school’, Trouw 16 februari 2017.
Vgl. W. Vollebergh, ‘Opvoeding en democratie: een ontwikkelingsperspectief’, in: M. de Winter e.a. (red.), Opvoeding in democratie, Amsterdam: SWP 2006.
Ibid., p. 66-67, L. Dobber, ´Een Kamerbezoek verhoogt de burgerzin´, Trouw 29 september 2017, vgl. voor adviesgrondslag: G. Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts, Berlin: Nickolaische Buchhandlung 1821. Hegel ziet het geïsoleerde individu als abstract. Men moet de concrete werkelijkheid vatten via de familie (micro), de maatschappij (meso) en staat (macro) die de organische eenheid van het politieke leven vertegenwoordigt.
C. Hermans, ‘De school als gemeenschap: introductie’, in: Idem (red.) 2003, p. 5-20.
Bernts e.a. 2007, p. 13-21.
M. Slingerland, ‘Voelt U zich ook Europeaan ?´, Trouw Opinie, 26 januari 2019, p. 26.
Vgl. M. Adams, ‘Constitutionele geletterdheid voor de democratische rechtsstaat’, NJB 2013, 17, p. 1110-1118.
Ibid, p. 62.
Onderwijsraad 2003, p. 66. Kerndoelen zijn overigens met vakken verbonden.
Ibid, p. 67.
Vgl. Kohnstamm 1947, Vorländer 2003 en Chr. Kijne, ‘Interview F. Fukuyama: ‘Ik onderschatte in 1989 het onafwendbare verval van onze democratie’, NRC 3 oktober 2014.
RMO 2007, p. 9; E-W. Böckenförde, ’Die Entstehung des Staates als Vorgang der Säkularisation’, Recht, Staat, Freiheit, Frankfurt a. Main: Suhrkamp 1991, p. 112 (Het Böckenfordedilemma omvat: ‘Der freiheitliche, säkularisierte Staat lebt von Voraussetzungen, die er selbst nicht garantieren kann‘. De democratische staat is afhankelijk van democratische overtuigingen van zijn burgers en kan deze niet afdwingen); C.M. Zoethout, Constitutionalisme. Een vergelijkend onderzoek naar het beperken van overheidsmacht door het recht, Arnhem: Gouda Quint 1995, Burkens e.a. 2012, p. 36, G.H. Spruyt, 'De paradox van Böckenförde. Waarden, normen en de staat (dl 1)‘, in: Van Bijsterveld & Lenders (red.) 2021, p. 31-33 en ‘De paradox van Böckenförde‘, dl 2, Ibid, p. 34-37.
Vgl. E.-W. Böckenförde, ’Die Entstehung des Staates als Vorgang der Säkularisation, in: E.W. Böckenförde, Recht, Staat, Freiheit, Frankfurt am Main: Suhrkamp 1991, p. 112, C.M. Zoethout, Constitutionalisme. Een vergelijkend onderzoek naar het beperken van overheidsmacht door het recht, Arnhem: Gouda Quint 1995 en G.H. Spruyt, ‘De paradox van Böckenförde, Waarden, normen en de staat’, (deel 1), in: Van Bijsterveld & Lenders (red.) 2021, p. 31-33.
Ibid., p. 53-54; vgl. D. Feringa, Burgerschap als ambacht. Jongerenraden in Nederland, Delft: Eburon 2014, J. van Dijk (SP), ´Hoe hoogmoed tot meer democratie leidde´, M & P 2014, p. 21 en G. van Oenen, ´We willen helemaal geen democratie´, Trouw 7 april 2016.
Schulz e.a. 2010; vgl. Maslowski e.a. 2010.
Redactie, NRC 9 november 2017.
Hendriks 2006, p. 124; vgl. Eidhof 2018.
Goed burgerschap
Naast de diverse auteurs hebben de Commissie historische en maatschappelijke vorming (commissie-De Rooy) (2001), de Onderwijsraad (2003), de WRR (2003) en de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) (2007) concepten van goed burgerschap geformuleerd. De commissie-De Rooy heeft in Verleden, heden en toekomst in 2001 geen aandacht besteed aan een bepaald burgerschapstype als doel, maar volstond met een notie van burgerschap als hoedanigheid, waarbij zij verwees naar ‘de rechten van inwoners van een land die hen tot burger maken’.1 De commissie ziet de vakken geschiedenis en maatschappijleer als de basis, waarbij de ontwikkelingen met betrekking tot de rechten en plichten van burgers centraal staan.2 De Onderwijsraad maakt in 2003 onderscheid tussen het staatsburgerschap of politiek burgerschap, en het maatschappelijk burgerschap.3 Burgerschapsvorming dient primair thuis en op school plaats te vinden. Zo dienen de scholen op gezag van de wetgever aan burgerschapsvorming te doen en zich te bewegen binnen de grenzen van de vrijheid van onderwijs (artikel 23 Gw) en de vereisten van de democratische rechtsstaat.4
Kernwaarden van de rechtsstaat
In 2003 concludeert de WRR in Waarden, normen en de last van het gedrag de verantwoordelijkheid van het onderwijs voor het aanleren van waarden en het bevorderen van een democratisch schoolklimaat.5 De raad kiest niet voor een vak waarden en normen, maar ‘ze dienen wel in het beheer en in de beoordeling van de onderwijskwaliteit expliciet aan de orde te komen’.6 De WRR pleit voor een herwaardering van het vak maatschappijleer als burgerschapsvorming7 en meent dat de overdracht van rechtsstatelijke kernwaarden, de democratie en goed burgerschap vastgelegd moeten worden in de Wpo en Wec bij maatschappelijke verhoudingen en geschiedenis.8
Van de Donk: reproductie van de democratische rechtsstaat noodzaak
De commissie-Van de Donk vraagt bij de opvoeding en het onderwijs aandacht te geven aan de democratische houdingen en de reproductie van de kennis van de democratische rechtsstaat.9 Het gaat dan niet alleen om de besluitvormingsprocedures en ‘de grote politiek’, maar zeker ook ‘om het onderwijs in de kleine deugden, sociale vaardigheden en ethiek van de persoonlijke verantwoordelijkheid’. Hoewel de opvattingen door de tijd heen verschillen10, mag wel gezegd zijn, dat burgerschapsvorming een onomstreden voorwaarde is voor participatie in de democratische rechtsstaat.11
Het is dan de vraag, welke legitimatie er bestaat voor de noodzaak om met (toekomstig) burgerschap persoonlijke ervaring op te doen.12 Een noodzaak die goed valt te verklaren door de weinig samenbindende richting, waarin de individualiserende neoliberale rechtsstaat zich ontwikkelt.13 Het behoud van de rechtsstaat14 en van een inclusieve samenleving vraagt om een morele inzet van de wetgever, het onderwijs en de samenleving.15
Onderwijs en burgerschap (2003) op micro-, meso- en macroniveau
De Onderwijsraad brengt in 2003 Onderwijs en burgerschap uit. Dit rapport beschrijft de drie niveaus van de uitoefening van burgerschap16:
het microniveau van school-, buurt- en verenigingsburgerschap17 tot uitdrukking komend in het naleven en aanvaarden van schoolse en verenigingsbasisnormen en -doelen;
het mesoniveau van maatschappelijk burgerschap, tot uitdrukking komend in het participeren in maatschappelijke activiteiten18
het macroniveau van politiek burgerschap, bestaande uit verwerving van kennis van en instemmen met maatschappelijke en politieke praktijken, met het ontstaan en functioneren van de democratische rechtsstaat; en het stimuleren van de bereidheid van (staats)burgers daarin te participeren.19
Voor het burgerschap op het microniveau richt de uitoefening ervan voor jonge leerlingen zich op de school20, wijk en buurt, om zich daarna voor de oudere leerlingen te richten op het maatschappelijk mesoniveau en het macro-politieke leven. De Onderwijsraad ziet de burgerschapsvorming als de basis van de voorschriften en de uitwerkingen in de kerndoelen en eindtermen. Door de demografische trends, globalisering, individualisering en secularisatie21 heeft burgerschapsvorming aan urgentie gewonnen, zowel op het microniveau als in de burgerschapspraktijken op het meso- en macroniveau.22 De Onderwijsraad ziet burgerschapsvorming als een middel om een minimum aan gedeelde basiswaarden en common goods in de samenleving te realiseren. Hij signaleert de vraag van politiek en samenleving aan het onderwijs om hieraan bij te dragen23, met de opmerking dat ‘een zwaar aangezette invulling van burgerschapsvorming op scholen’ al snel op gespannen voet komt te staan met de vrijheid van onderwijs (artikel 23 Gw) en het rijksbeleid met de focus op de vergroting van de schoolautonomie.24 Daarom adviseert hij een doelbepaling vast te leggen en uit te werken op drie niveaus. De Onderwijsraad kiest niet voor een vak burgerschapscompetenties/-kennis, maar voor aanscherping van de kerndoelen.25 Bovendien geeft het vak maatschappijleer meer mogelijkheden om de bevordering van actief burgerschap en sociale integratie, zoals vastgelegd in 2005, voor het voetlicht te brengen.26
RMO: Vormen van democratie (2007)
In 2007 benadrukt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO)27 in Vormen van democratie de worteling van democratie in de huiselijke kring, op school en in de civil society, het belang van de interactieve burgerparticipatie en de noodzaak democratie blijvend te onderhouden.28 De RMO beschouwt een door burgers te praktiseren democratische gezindheid afdwingbaar noch oplegbaar (‘Böckenförde-dilemma’)29, maar dit kan wel door jongeren zelf verworven worden in een socialisatie van ‘al doende leren’.
Democratische rechtsstaat kwetsbaar: Böckenförde-dilemma
De democratische rechtsstaat is kwetsbaar: hij staat en valt met de bereidheid en het vermogen van burgers in de besluitvorming te participeren en de resultaten te accepteren. In de rechtsstaat word machtsuitoefening begrensd, met name in de vorm van de vereisten van de democratische besluitvorming, legaliteit, machtsverdeling, grondrechten en rechterlijke controle. Die grenzen brengen met zich mee dat de democratische rechtsstaat alleen kan functioneren met kernwaarden die gelegen zijn in de hiervoor aangeduide kwaliteiten die hij niet kan opleggen en noch afdwingen.30 ‘Er moeten kaders komen om dit proces voor jongeren te outilleren, waarin de leerlingen in een vroeg stadium in aanraking komen met democratische principes en vaardigheden kunnen leren’.31
ICCS: burgerschapsvorming in Nederland onvoldoende
De noodzaak van burgerschapsvorming op school is nog eens onderstreept in de rapporten van de International Civic and Citizenship Education Studies (ICCS) in 2009 en 2016. Daaruit blijken Nederlandse leerlingen weinig te weten van de wijze waarop de democratie functioneert. Deze onderzoeken tonen lagere scores van onze tweedeklassers aan dan die in Vlaanderen en Scandinavië.32 Ook blijken ‘docenten zich niet bekwaam te vinden les te geven over de Grondwet en het politiek stelsel’. ‘Maar scholieren hebben’, als reactie hierop (in een hoofdredactioneel commentaar in de NRC), ‘recht op voldoende onderwijs in geschiedenis, talen en burgerschap, in plaats van te praten over symbolen als de vlag, het volkslied en de Nachtwacht’.33 Bestuurskundige Hendriks schetst als kenmerkend voor de democratie het idealiter van onderop interactief vormgeven van democratische processen, waarbij ‘de gemeenschappelijke wilsvorming en eendrachtige samenwerking hand in hand gaan en vragen om een gerichte scholing’.34