Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.6.1
3.6.1 Franse scholen: geen Staatsinrigting van Nederland
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS976986:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie: K.J. Riemens, Esquisse historique de lenseignement du francais en Hollande du XVIe au XIXe siècle, Leyden: Sijthoff 1919 en N.L. Dodde, ’Franse scholen in Nederland’, in: M. Depaepe c.s., Over het mooie en het nuttige, Antwerpen: Garant 2008, p. 33 e.v.
C. Esseboom, ’Wij wortelen in de Franse school’, TEO 2000, 1, p. 3-8; Drop 1985, p. 159.
N.L. Dodde 2008, p. 33 e.v.
Ibid., p. 33 e.v.
Franse scholen zijn eerst ‘laege school’, dan Franse-en-Duitse scholen, waaraan Nederduitse scholen vooraf gaan; zie: Boekholt & De Booy 1987, p. 27, 128, K. Mandemakers, HBS en GYMNASIUM. Ontwikkeling, structuur, sociale achtergrond en schoolprestaties, Nederland ca. 1800-1968, Amsterdam: Stg IISG 1996, p. 41, Esseboom 2000, p. 3-8 en Drop 1985, p. 155.
M. van Essen, Kwekeling tussen akte en ideaal, Amsterdam: SUN 2006, p. 126; W. Langeveld, Vorming tot participatie; een handboek voor de politieke vorming van 13 tot 15-jarigen, Groningen: TjeenkW 1975, p. 18 en J.G. Toebes 1981, p. 270.
B. Brugsma, Kort overzicht van de opvoeding door het onderwijs in de lagere school, Groningen: Zuidema 1835.
Vgl. C. van der Kooij, ‘Verleden,heden,toekomst’, Groningen: Wolters 1999, p. 31-33.
Intussen maken de Franse scholen een gestage groei door.1 Vanaf de stichting vormen Frans, Duits, Engels, handelsterminologie en -correspondentie, dubbel (Italiaans) boekhouden, commerciële kundigheden en koopmansrekenen het curriculum.2 Staatsinrigting van Nederland is niet vastgelegd.3 De Franse scholen zijn aanvankelijk vergelijkbaar met het lager handelsonderwijs.4 Ze vallen onder de werking van de LO-Wet. Op grond van de LO-wet van 1857 is tot 1863 lager onderwijs uit te breiden met één (ulo), twee of drie jaar (mulo).5
Suringar: staatsburgerlijke vorming 1820/Brugsma: wereldkunde 1835
Ondanks de verbreding met vakken en de verlenging van de schoolduur laten de voorstanders van de staatsburgerlijke vorming regelmatig van zich horen. Ze blijven erkenning eisen van het streven naar meer staats- en maatschappijgericht onderwijs. Hierover schrijft Hendrik Suringar in 1820 in opdracht van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen het advies Staatsburgerlijke vorming tot regeling ervan in het lager en middelbaar onderwijs.6 Het nodige steigerwerk voor staatsburgerlijke vorming is hiermee verricht. Pedagoog Brugsma stelt in 1835 voor om het onderwijs in de (zaakvakken) realia, waaronder staatsinrichting, op de volksschool wereldkunde te noemen.7 Later hebben wereldoriëntatie en oriëntatie op jezelf en de wereld in de Wbo (1985) en de Wpo (1998) ingang gevonden.8