Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/17.7
17.7 Vragen
prof. mr. drs. B. van Ravels, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. drs. B. van Ravels
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ik vraag me dat overigens als jaren af. Zie A.T. Marseille, ‘Nadeelcompensatieprocedures als lichtend voorbeeld voor schadeprocedures’, in: Franssen e.a. (red.) 2014, p. 197-210: p. 85-93, alsmede A.T. Marseille & G.J. Harryvan, ‘Afwikkeling van schadegeschillen over overheidshandelen in de praktijk’, in: T. Barkhuysen e.a. (red.), Coulant compenseren? Over overheidsaansprakelijkheid en rechtspolitiek, Deventer: Kluwer 2012, p. 49-69.
Bij de toetsing van een zuivere schadebesluiten over vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit werd destijds overigens geen verplichting aangenomen om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Een zeldzame uitzondering biedt Rb. Arnhem 15 maart 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AV8393: ‘Van verweerder had in het kader van een zorgvuldige voorbereiding immers mogen worden verwacht dat het advies van een financieel deskundige zou zijn gevraagd’.
Zie daarover: VAR-Commissie Rechtsbescherming, De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschilbeslechting, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2004, p. 34-35.
Dat het in deze fase behulpzaam is een advies te vragen betogen Van den Broek & Tjepkema 2015, p. 116-117.
Art. 8:4, eerste lid, aanhef en onder f Awb.
Zie daarover: Kamerstukken II 2010/11, 32621, 4, p. 4-5. Volgens de Afdeling advisering van de Raad van State zou een dergelijke verzoekschriftprocedure nog hangende de procedure tegen een schadeveroorzakend besluit toepassing kunnen vinden, voor het geval geen vernietiging volgt, zodat de benadeelde zijn schadeclaim op een snelle en eenvoudige wijze beoordeeld kan krijgen. Zie voor een nadere uitwerking van deze gedachte J.E.M. Polak, ‘De verzoekschriftprocedure bij onrechtmatige besluiten als begin van een tweede weg in het bestuursprocesrecht’, in: Franssen e.a. (red.) 2014, p. 167-177. Zie voorts: G.T.J.M. Jurgens, ‘Schadevergoeding als pilot voor differentiatie in het bestuursrecht’, NTB 2007/35; M.K.G. Tjepkema, Nadeelcompensatie op basis van het égalitébeginsel – Een onderzoek naar nationaal, Frans en Europees recht, Deventer: Kluwer 2010, p. 599; R.J.N. Schlössels, ‘Discretionair aansprakelijkheidsrecht? Overheidsaansprakelijkheid en trias, in het bijzonder bij rechtmatige overheidsdaad’, in: Barkhuysen e.a. (red.) 2012, p. 38-39; F.J. van Ommeren, P.J. Huisman, G.A. van der Veen & K.J. de Graaf, Het besluit voorbij (VAR-reeks 151), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014; Van den Broek & Tjepkema 2015, p. 116-117; I.M. van der Heijden, J.S. Procee, K. Winterink, ‘Nadeelcompensatie in ontwikkeling – van besluit naar verzoekschrift?’, JBplus 2016/1.
Er zijn verschillende vragen die zich hier opdringen, naast vragen over de opmerkelijke verschillen in de draagplicht van de kosten van deskundigen:
Waarom kennen we in het nadeelcompensatierecht wél de verplichting voor het bestuur om mede in het belang van de verzoeker, in beginsel een onafhankelijke deskundige in te schakelen om te adviseren over de op de aanvraag te nemen beslissing, voordat het bestuur een standpunt inneemt over zijn schadevergoedingsverplichting, en kennen we die verplichting niet wanneer de verzoeker aanspraak maakt op vergoeding van schade die door een fout van het bestuur is veroorzaakt?1
Gaan de redenen voor inschakeling van zo’n onafhankelijke deskundige in nadeelcompensatiekwesties niet eveneens – of zelfs: veeleer – op indien de overheid schade veroorzaakt door een fout?2
Is hier wellicht doorslaggevend dat het burgerlijk procesrecht, dat in een deel van de overheidsaansprakelijkheidsprocedures de procedure bepaalt, zo’n verplichting niet kent?
En is wellicht ook van belang dat de bestuursrechtelijke regeling van de afhandeling van aanspraken op schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten ook in procedureel opzicht zoveel mogelijk zou moeten aansluiten bij hetgeen in het burgerlijk recht gebruikelijk is?
Moet daarvoor de bestuursprocesrechtelijke cultuur van de goede toegang en ongelijkheidscompensatie wijken?3
Zou dit probleem – op termijn – opgelost kunnen worden indien het oordeel over de aansprakelijkheid voor typisch bestuursrechtelijk handelen exclusief wordt toebedeeld aan de bestuursrechter?
Of zitten we ook dan met het probleem dat de verzoekschriftprocedure zich niet goed leent voor verplichte inschakeling van een onafhankelijke deskundige? In de verzoekschriftprocedure is het vaststellen van de schadevergoe- ding en daarmee ook de eventuele inschakeling van de onafhankelijke deskundige aan de rechter. De wettelijke regeling van de verzoekschriftprocedure zoals thans geregeld in titel 8.4 Awb lijkt geen mogelijkheden voor de rechter te bieden om het bestuursorgaan te verplichten alsnog een onafhankelijke deskundige opdracht te geven het bestuursorgaan daarover te adviseren.4 De rechter toetst immers in een verzoekschrift niet het – niet voor beroep openstaande5 – schadebesluit van het betrokken bestuursorgaan en ook niet de wijze van voorbereiding daarvan. Hij beoordeelt of en zo ja in hoeverre de aanvrager recht heeft op de door hem gevraagde schadevergoeding. De zorgvuldigheid van de voorbereiding van het schadebesluit van het betrokken bestuursorgaan doet daar niet aan toe of af.
Is het mogelijk de bestuursrechtelijke verzoekschriftprocedure alsnog zo te modelleren dat daarin de inschakeling van een onafhankelijke deskundige door het bestuursorgaan wordt ingepast?
Of moeten we het misschien omkeren? Is het aangewezen om in nadeelcompensatiekwesties afstand te nemen van de beginselplicht voor het bestuur om een onafhankelijke deskundige te raadplegen en dezelfde procedurele weg te bewandelen als bij schade veroorzaakt door fouten van het bestuur?
Zou ook in nadeelcompensatiegeschillen het besluitmodel niet moeten worden vervangen door de verzoekschriftprocedure?6