Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/17.8
17.8 Slot
prof. mr. drs. B. van Ravels, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. drs. B. van Ravels
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Overzichtsuitspraak planschade: ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582 onder 8.8., alsmede Kamerstukken II 2010/11, 32621, 6, p. 13.
Zie voor meer gegevens B.P.M. van Ravels, ‘Afwikkeling van massaschade en bestuursrecht’, in: W.J.J. Los e.a. Collectieve acties in het algemeen en de WCAM in het bijzonder, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 39-48.
Zie onder meer: ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:122.
Zie het Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 31 januari 2018 (zie: Stcrt. 2018, 6398), zoals nadien gewijzigd bij besluit van 30 maart 2018 (zie: Stcrt. 2018, 19813). Bij besluit van de minister van rechtsbescherming van 9 maart 2018 zijn de voorzitters en de leden van de TCMG benoemd (zie: Stcrt. 2018, 14912), alsmede de conceptregeling van het Wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade Groningen (https://www.internetconsultatie.nl/instituutmijnbouwschadegroningen).
H.E. Bröring, ‘Schadeafhandeling te Groningen: van privaat naar publiek’, NTE 2018/4 ; A.T. Marseille & K.J. de Graaf, ‘Aardbevingsschadevergoedingsprocedures van privaat naar publiek’, O&A 2018/2; A.T. Marseille, H.E. Bröring & K.J. de Graaf, Laagdrempelige procedure aardbevingszaken Groningen, Den Haag: Raad voor de rechtspraak, Research memoranda nr. 2018/2; Georgina Kuipers & Michiel Tjepkema,’‘Publieke regie’ in Groningen. Publiekrechtelijke schadeafhandeling en het vertrouwen in de overheid’, NJB 2017/1576, p. 2064-2066; Janet van de Bunt & Michiel Tjepkema, ‘Een nieuw schadeprotocol voor de mijnbouwschade in Groningen’, NJB 2018/587.
Ik besluit met enkele opmerkingen naar aanleiding van deze laatste vraag. Voor de beantwoording van deze vraag is wat mij betreft niet doorslaggevend dat aan het bestuur in nadeelcompensatiekwesties, anders dan bij kwesties van schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen, enige door de rechter te respecteren beoordelingsruimte toekomt. Zo is bijvoorbeeld de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico, op grond van de rechtspraak en op grond van de parlementaire geschiedenis van titel 4.5 van de Awb, in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt.1 Doorslaggevend hoeft dat niet te zijn: in een verzoekschriftprocedure kan het betrokken bestuursorgaan een gemotiveerd standpunt over de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico inbrengen en daarmee kan de rechter op passende wijze rekening houden.
Belangrijker is naar mijn mening hetgeen ik hiervoor heb aangevoerd over het belang van advisering van een onafhankelijke deskundige voordat het bestuursorgaan een standpunt over zijn schadevergoedingsverplichting inneemt.
Daarnaast lijkt mij ook nog het volgende van belang. Slechts in een betrekkelijk gering aantal gevallen staan verzoeken om nadeelcompensatie die in Nederland worden ingediend geheel op zichzelf. Veruit de meeste verzoeken om nadeelcompensatie die in Nederland bij het bestuur worden ingediend maken deel uit van een grotere groep van aanvragen die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat ze zien op dezelfde oorzaak, bij hetzelfde bestuursorgaan worden ingediend, en vaak min of meer tegelijkertijd worden ingediend en afgehandeld dienen te worden. Ik noem enige voorbeelden.2 Met toepassing van de nadeelcompensatieregeling die betrekking had op besluiten die de uitbreiding van de luchthaven Schiphol en de wijziging van het daarvoor geldende geluidregime mogelijk maakten, zijn meer dan tienduizend besluiten op aanvragen om nadeelcompensatie genomen. Met toepassing van de nadeelcompensatieregeling voor de Betuweroute en de HSL-Zuid zijn respectievelijk enige honderden en rond de duizend schadebesluiten genomen. Ook op gemeentelijk niveau komen betrekkelijk grote groepen van nadeelcompensatiekwesties voor. De nadeelcompensatieregeling Noord-Zuidlijn Amsterdam heeft tot honderden nadeelcompensatiebesluiten geleid. Ook in kleinere gemeenten komt dit verschijnsel voor; denk aan het project Fonteyne van de gemeente Vlissingen.3 Over de daardoor veroorzaakte schade zijn tientallen nadeelcompensatiebesluiten en, alleen al in hoger beroep, rond de twintig rechterlijke uitspraken gedaan. Op het gebied van de waterschappen kan worden gedacht aan de nadeelcompensatiekwesties betreffende versterkingsprojecten langs de kust van de Noordzee.
Het is de vraag of met een verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter het hoofd kan worden geboden aan onder meer de organisatorische problemen die de afhandeling van grote aantallen verzoeken om nadeelcompensatie binnen betrekkelijk korte tijd met zich mee brengt. De wetgever is ervan uitgegaan dat het een voordeel is van het besluitmodel dat het bestuursorgaan aanvragen in onderlinge samenhang kan beoordelen indien er in korte tijd veel aanvragen worden ingediend.4 In het licht van het vorenstaande is het interessant te constateren dat, zoals het er nu uitziet,5 bij de afhandeling van het buitengewoon grote aantal aanspraken op vergoeding van mijnbouwschade als gevolg van de gaswinning in Groningen wordt gekozen voor een bestuursrechtelijke procedurele weg volgens het besluitmodel; het bestuursorgaan dat de schade afhandelt zal ter voorbereiding van de schadebesluiten in beginsel advies van een onafhankelijke deskundige dienen in te winnen.6