Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/17.4
17.4 Nadeelcompensatieprocedures: huidig recht
prof. mr. drs. B. van Ravels, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. drs. B. van Ravels
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:51; ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:37; ABRvS 3 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4693; ABRvS 15 januari 1996, ECLI:NL:RVS:1996:AS5701, BR 1996, p. 918; ABRvS 12 oktober 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AS5724, BR 1996, p. 831; ABRvS 25 september 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AS5736, BR 1996, p. 592; ABRvS 6 juli 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AS5887, BR 1996, p. 661; ABRvS 21 maart 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AS5925, BR 1996, p. 504; ABRvS 17 oktober 1994, ECLI:NL:RVS:1994:AS6059, BR 1995, p. 784; ABRvS 26 september 1994, ECLI:NL:RVS:1994:AS6065, BR 1995, p. 859; AGRvS 22 maart 1993, ECLI:NL:RVS:1993:AS6448, BR 1994, p. 66; AGRvS 22 februari 1993, ECLI:NL:RVS:1993:AQ1167, BR 1993, p. 990; AGRvS 29 december 1992, ECLI:NL:RVS:1992:AQ1323, BR 1993, p. 909; AGRvS 21 november 1992, ECLI:NL:RVS:1992:AN3910, BR 1993, p. 543; AGRvS 27 juli 1992, ECLI:NL:RVS:1992:AS6618, BR 1993, p. 538.
ABRvS 19 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY4259; ABRvS 9 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AL2378; ABRvS 19 april 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AP6036, BR 2000, p. 238.
ABRvS 5 maart 1996, ECLI:NL:RVS:1996:AN5056, AB 1996/251.
ABRvS 6 juli 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AS5887, BR 1996, p. 661.
Art. 6.1.3.2. van het Besluit ruimtelijke ordening.
Art. 6.1.3.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. Voor 2008 gold min of meer eenzelfde verplichting: ABRvS 26 augustus 1996, BR 1997, p. 847.
Art. 6.1.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
Bijv. de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 (Stcrt. 2014/16584) en de voorgangers daarvan.
ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4496; ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3378; ABRvS 17 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI8464; ABRvS 18 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD4485; ABRvS 18 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD4484.
Terzijde zij opgemerkt dat bij mijn weten in de rechtspraak betreffende nadeelcompensatie, niet zijnde tegemoetkoming in planschade, nooit expliciet is overwogen dat dit uit oogpunt van zorgvuldigheid geboden is. Meestal was dat ook niet nodig, omdat het bestuursorgaan op grond van de toepasselijke regeling, of uit eigen beweging reeds een onafhankelijke deskundige had ingeschakeld.
Overzichtsuitspraak planschade: ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582 onder 8.12.
Dan nu de situatie waarin iemand nadeelcompensatie verlangt. Onder nadeelcompensatie begrijp ik in dit verband ook tegemoetkoming in planschade en andere op algemeen verbindende voorschriften gebaseerde tegemoetkomingen in schade die is veroorzaakt door op zichzelf rechtmatig overheidshandelen.
Vóór het in werking treden van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 was het vaste rechtspraak dat, ook in gevallen waarin geen wettelijk voorschrift daartoe verplicht, uit oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een beslissing op een aanvraag om vergoeding in planschade, mede gelet op de belangen van de verzoeker hierbij, advisering door een onafhankelijke deskundige in het algemeen noodzakelijk moet worden geacht.1 Beslissen op een aanvraag zonder advies van een onafhankelijke deskundige mocht alleen in kennelijk niet voor toewijzing in aanmerking komende gevallen.2 Bijvoorbeeld indien het verzoek om planschadevergoeding kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is, dan wel indien op eenvoudige wijze, zonder diepgaand onderzoek, kan worden vastgesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen.3 Aan het bestuur kwam de beleidsvrijheid toe te bepalen wie als onafhankelijk adviseur ter zake zal optreden.4 De kosten van advisering komen ten laste van het bestuursorgaan.
Sinds 2008 is deze ongeschreven verplichting, omgezet in een geschreven verplichting.5 Opmerkelijk is dat het bestuursorgaan gehouden is een integraal advies te vragen en dat het de opdracht tot advisering niet mag beperken tot bijvoorbeeld enkel het antwoord op de vraag, of en zo ja in hoeverre een planologische verslechtering tot schade heeft geleid.6 Op deze beginselplicht gelden uitzonderingen die vergelijkbaar zijn met de uitzonderingen die voorheen reeds onder het ongeschreven recht werden aangenomen.7
Bij de toepassing van de meeste anderen wettelijke regelingen8 en beleidsregels9 die voorzien in nadeelcompensatie, en bij nadeelcompensatie die niet berust op een geschreven grondslag,10 wordt doorgaans dezelfde benadering gevolgd als in het planschaderecht.11
In nadeelcompensatiekwesties bestaat ook nog de bevoegdheid voor de bestuursrechter om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Wanneer, op basis van de door een partij aangevoerde concrete aanknopingspunten voor twijfel, gegronde twijfel bestaat over de juistheid van het advies dat het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, mag de rechter met toepassing van artikel 8:47 van de Awb een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek.12 De kosten van deze deskundige komen, zoals hiervoor is uiteengezet, ten laste van het Rijk, zonder dat de huidige regeling een grondslag lijkt te bieden deze kosten voor rekening van een of meer van de partijen te laten komen.
Op dit punt is er bijvoorbeeld een belangrijk verschil tussen het nadeelcompensatierecht en het onteigeningsrecht; in het onteigeningsrecht kunnen de kosten van de rechtbankdeskundigen immers in de proceskostenveroordeling worden begrepen en worden die kosten normaliter voor rekening van de onteigenaar gebracht.