Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/17.1
17.1 Inleiding
prof. mr. drs. B. van Ravels, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. drs. B. van Ravels
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R.M. van Male & B.P.M. van Ravels, ‘Tot schade van allen – De onvolkomen schadevergoedingsregeling van de Awb’, BR 1993, p. 669-685; B.P.M. van Ravels, ‘Schadevergoeding’, in: J.B.J.M. ten Berge e.a. (red.), Nieuw bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1994, p. 382-423; B.P.M. van Ravels, ‘Wederom: Tot schade van allen, Enige nadere opmerkingen over schadevergoeding wegens onrechtmatige, voor beroep vatbare besluiten’, BR 2005/6, p. 518-524.
Stb. 2013, 50.
Artikel I, onder Ca van de wet van 31 januari 2013 (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatig besluiten) dat voorziet in een wijziging van art. 8:6 Awb, die er op neerkomt dat het vereiste van processuele connexiteit in zoverre gehandhaafd blijft dat wanneer de gestelde schadeoorzaak een besluit is waartegen (bijv.) beroep in eerste en enige aanleg bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan worden ingesteld, ook tegen het besluit omtrent toekenning van nadeelcompensatie slechts beroep in eerste en enige aanleg bij deze bestuursrechter open staat. Zie: B.P.M. van Ravels, ‘De Wet nadeelcompensatie en de bijzondere wettelijke regeling van tegemoetkoming in planschade’, O&A 2013/2.
Zie bijv. het aansprekende betoog van J.E.M. Polak, ‘De verzoekschriftprocedure bij onrechtmatige besluiten als begin van een tweede weg in het bestuursprocesrecht’, in: T. Franssen e.a. (red.), Op het grensvlak, Den Haag: IBR 2014, p. 167-177.
Liefhebbers van beschouwingen daarover verwijs ik graag naar: Karel van het Reve, ‘Uren met Henk Broekhuis’, in: K. van het Reve, Verzameld werk, deel 4, Amsterdam: Van Oorschot 2010, p. 7-140. Van het Reve verwees op zijn beurt naar een onuitgegeven werk van de Franse schrijver Gustave Flaubert: Dictionnaire des idées reçues of Catalogue des opinions chics.
Brief van het College voor de rechten van de mens van 14 februari 2018 https://publicaties.mensenrechten.nl/ file/77a6fbfd-1dc1-444f-8929-a1215e427855.pdf.
De Algemene wet bestuursrecht, zoals deze vijfentwintig jaar geleden in werking trad, bevatte maar weinig bruikbaars over schadevergoeding. Een regeling van nadeelcompensatie ontbrak. Er was wel een regeling van schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten, maar deze gebrekkige regeling heeft eigenlijk nooit goed gefunctioneerd.1 Thans, we schrijven 2019, kent de Awb nog steeds geen nadeelcompensatieregeling. Weliswaar is titel 4.5 van de Awb (ʻNadeelcompensatieʼ) in 2013 in het Staatsblad gepubliceerd,2 maar deze – niet geheel vlekkeloze3 – titel is nog steeds niet in werking getreden. Naar het zich laat aanzien kan het nog wel even duren voordat dit wel het geval is.
De oude regeling in de Awb van schadevergoeding wegens onrechtmatige, appellabele besluiten is in 2013 ingetrokken en vervangen door een nieuwe. De nieuwe regeling – titel 8.4 van de Awb (ʻSchadevergoedingʼ) – biedt zeker een vooruitgang in vergelijking met de oude, maar dat betekent niet dat er geen redenen zouden zijn voor verbetering daarvan. Ook deze nieuwe regeling kent een wat moeizame regeling van de competentieverdeling.4 Er moeten nogal wat procedurele klemmen en voetangels gepasseerd worden voordat kan worden toegekomen aan de vraag waarover het in bestuursrechtelijke schadevergoedingskwesties eigenlijk zou moeten gaan: kan deze persoon jegens het betrokken bestuursorgaan aanspraak maken op schadevergoeding en zo ja, in hoeverre?
Ik ga in deze bijdrage niet nader in op de competentieverdeling. Daar wordt in deze bundel door anderen aandacht aan besteed. Daarbij komt dat er over de competentieverdeling al heel veel gezegd en geschreven is en dat het niet eenvoudig is er nog wat nieuws over te vertellen. Een opmerkelijk verschijnsel in dit debat is overigens dat daarin wordt teruggegrepen op ʻidées reçuesʼ,5 die soms nog maar in een betrekkelijk los verband met de werkelijkheid staan. Ik noem slechts een recent voorbeeld van een betoog waarin naar voren wordt gebracht dat het ʻeen feit van algemene bekendheid (is) dat de schadevergoedingen toegekend door de civiele rechter hoger zijn dan die door de bestuursrechter doorgaans worden toegekend. ʼ6 Het is maar goed dat Schutgens in zijn bijdrage aan deze bundel enige krachtige argumenten ter weerlegging van deze stelling biedt.
In deze bijdrage besteed ik aandacht aan enige opmerkelijke verschillen tussen procedures via welke schade op de overheid verhaald kan worden: verschillen op het punt van de inschakeling van onafhankelijke deskundigen die adviseren over de vraag of, en zo ja, in hoeverre de overheid gehouden is tot vergoeding van de schade waarvan vergoeding wordt gevraagd. Mijn opmerkingen daarover resulteren niet in pasklare antwoorden, maar in enige vragen waarover de komende vijfentwintig jaren nagedacht zou kunnen worden.