Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/4.2.3
4.2.3 Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koninkrijk Holland
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS387087:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze leden Brandsma 2006, p. 227 met verwijzingen.
Het advies van de eerste Sectie van de Staatsraad is opgenomen in Huussen 1975, p. 314-316.
De op 26 januari 1808 aangeboden ‘Gronden waarop de Commissie tot het ontwerpen van een Civiel Wetboek haeren arbeid vermeent te kunnen aanvangen’ zijn opgenomen in Huussen 1975, p. 313 en 314. Zie met name de gronden 5-7.
Vgl. Cerutti 1965, p. 68 en 69 en Brandsma 2007, p. 246.
Zie voor een vergelijking van het WNH met het Ontwerp Van der Linden Brandsma 2007, p. 237-245 en Cerutti 1965, p. 61-68.
De rangorderegels van Ontw. V.d. Linden II.7.3 zijn terug te vinden in art. 1838 – 1847 WNH. Zie ook Cerutti 1965, p. 63 en Brandsma 2007, p. 245.
Ook de Rooms-Hollandse tiend- en cijnsrechten zijn op grondslag van het Ontwerp Van der Linden toegevoegd aan het WNH.
Zie Brandsma 2007, p. 242 en 243 en Cerutti 1965, p. 63.
Cerutti bestempelt de regeling van het vruchtgebruik als een gemengd onderdeel. Zie Cerutti 1965, p. 63.
Gelet op art. 487 WNH – dat bepaalt dat de bloot eigenaar gehouden is de vruchtgebruiker het vruchtgebruik te laten genieten zonder hem daarin te belemmeren – neig ik ernaar deze vraag in navolging van het Romeinse recht ontkennend te beantwoorden.
De Franse ‘loi sur l’organisation de l’ordre judiciaire et l’administration de la justice’ van 20 april 1810 – waarin de motiveringsplicht in art. 7 haar intrede deed – werd na de inlijving executoir verklaard en kreeg pas gelding in 1811.
In de gebieden ten zuiden van de Waal gold de Code civil overigens reeds met ingang van 1 januari 1811.
De periode vanaf 1811 waarin de Franse wetgeving van kracht was, behoort uiteraard wel tot de Nederlandse wetsgeschiedenis. Volstaan kan worden met een verwijzing naar hoofdstuk 6.
Zie proclamatie van 21 november 1813, Stb. nr. 1. Uiteindelijk kwam pas op 1 oktober 1838 met de inwerkingtreding van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek een einde aan de rechtskracht van de Code civil.
De commissie ter vervaardiging van een aangepaste Code civil bestond uit drie leden die niet eerder bij wetgevingsontwerpen betrokken waren geweest, te weten A. van Gennep, B.P. van Wesele Scholte en J.J. Loke.1 Het plan van aanpak dat op advies van de Staatsraad door de Koning was goedgekeurd,2 bestond eruit om de Code Napoleon tot grondslag van het Burgerlijk Wetboek te nemen, zij het dat er modificaties zouden worden aangenomen, waarvoor de commissie zich met name beoogde te bedienen van het Ontwerp Van der Linden met de aantekeningen daarop van het Hoog Nationaal Gerechtshof.3 Hoewel de commissie de indeling in drie boeken volgde van de Code civil, was inhoudelijk gezien van een Franse overname allerminst sprake.4 Vele onderwerpen zijn naar inhoud en redactie geregeld op basis van het Ontwerp Van der Linden.5 Het zekerhedenrecht en in het bijzonder de rangorderegels kwamen vrijwel woordelijk overeen met Van der Lindens ontwerp.6 Voor het antwoord op de vraag naar de toepassing van de prioriteitsregel in het kader van colliderende zekerheidsrechten kan daarom worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen is opgemerkt in de vorige paragraaf.
De bepalingen inzake het recht van erfdienstbaarheid alsmede de in de Code ontbrekende titels over de rechten van erfpacht en opstal,7 zijn eveneens ontleend aan Van der Lindens ontwerp.8 Deze onderdelen behoeven dan ook geen nieuwe bespreking.
De regeling van het recht van vruchtgebruik gaat wel terug op de Code, maar is niettemin voorzien van enkele Rooms-Hollandse aanpassingen.9 De zoektocht naar de toepassing van de prioriteitsregel loopt echter al gauw spaak omdat een toelichtende memorie ontbreekt en uit de wettekst niet valt af te leiden of de bloot eigenaar de bevoegdheid had om een zakelijk recht te vestigen dat met een reeds bestaand vruchtgebruik conflicteert.10 De praktische toepassing van de bepalingen kan evenmin worden achterhaald omdat de verplichting om rechterlijke uitspraken te motiveren niet bestond in de periode waarin het WNH rechtskracht had.11
Het WNH was geen lang leven beschoren. Na de inlijving bij Frankrijk in 1810 werd de Code civil per 1 maart 1811 voor het voormalig Koninkrijk Holland executoir verklaard.12 Hiermee brak een periode aan die niet tot de Nederlandse codificatiegeschiedenis behoort.13 Hoewel de onafhankelijkheid in 1813 werd hersteld, zou de Code civil zijn rechtskracht behouden tot de invoering van het eerste Nederlandse Burgerlijk Wetboek.14