Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures
Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/8.4.1:8.4.1 Mogelijke inhoud verzoek
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/8.4.1
8.4.1 Mogelijke inhoud verzoek
Documentgegevens:
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708437:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 376 lid 1 Fw (concept). Zie voor kritiek hierop o.a. Tollenaar 2017, par. 2.10 en de reactie van INSOLAD van 24 november 2017, p. 17. De reactie is opgenomen als bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 35249, nr. 3.
Zie hierover ook De Leo, TvI 2020/40, par. 5.2.
Een aan de rechtbank op grond van artikel 378 Fw voorgelegde vraag over de waardering werd ook zo door de schuldenaar ingestoken en door de rechtbank beantwoord in Rechtbank Gelderland 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5945. Zie met name r.o. 4.3 t/m 4.9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een artikel 378-verzoek stelt de akkoordaanbieder in de gelegenheid de rechtbank te laten beslissen over bepaalde aspecten die van belang zijn voor de totstandkoming van het akkoord. De conceptversie van de WHOA bevatte een limitatieve lijst van onderwerpen die voorgelegd konden worden aan de rechtbank.1 Het huidige artikel 378 Fw bevat nog steeds een lijst met onderwerpen die kunnen worden voorgelegd, maar deze lijst is niet meer limitatief.2 Opvallend is dat ook de waardering (‘de door de schuldenaar gehanteerde waardes en uitgangspunten en waardes’ in het akkoord of de bijlagen) is opgenomen in deze lijst (art. 378 lid 1 onder a jo. 375 lid 1 onder e tot en met g Fw). Dit is opvallend, omdat in artikel 14 lid 1 Herstructureringsrichtlijn is bepaald dat de rechter alleen een beslissing mag nemen over de waardering op verzoek van een niet-instemmende partij die het akkoord betwist op basis van de in dat artikel genoemde gronden. Hoewel sprake is van minimumharmonisatie,3 is het de vraag of het voorleggen van de waardering op grond van artikel 378 Fw is toegestaan op basis van de richtlijn.4 Artikel 14 lid 1 Herstructureringsrichtlijn is namelijk strikt geformuleerd.5
Omdat het kennelijk de bedoeling is te voorkomen dat lidstaten een voorafgaande rechterlijke goedkeuring van de waardering vereisen en dat de akkoordprocedure teveel wordt vertraagd door geschillen over de waardering, is het mijns inziens verdedigbaar dat een beslissing over de waardering die uitsluitend kan worden uitgelokt door de akkoordaanbieder niet door artikel 14 lid 1 Herstructureringsrichtlijn wordt verboden. Daarnaast is ook verdedigbaar dat geen sprake is van strijd met de Herstructureringsrichtlijn, omdat de rechtbank de waardering procedureel zou moeten beoordelen en niet substantieel. De rechtbank zou dan wel de vraag mogen beantwoorden of de (uitgangspunten voor de) waardering dusdanig is gepresenteerd dat voldoende informatie wordt geboden om op die basis te stemmen.6 Uit de memorie van toelichting bij de Implementatiewet richtlijn herstructurering en insolventie blijkt dat de minister in ieder geval meent dat de WHOA thans aansluit bij artikel 14 lid 1 Herstructureringsrichtlijn.7