Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.6.2.3
5.6.2.3 Betekenis Kozuba-arrest
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291304:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Anders: Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 16 november 2017, zaak C-308/16, V-N 2017/58.14 (Kozuba), T. Vroon, ‘Niets nieuws’, BtwBrief 2018/13, p. 14, P. Berkhuizen, ‘Vervaardiging is geen verbouwing, of toch wel? – invloed Kozuba-arrest op vernieuwbouw’, WFR 2018/49, p. 347, A.H Bomer, ‘De Kozuba-wending. Een Poolse verbouwingsdienst met een Europese dimensie’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2018/4, p. 7 en R.A. Wolf, ‘Jaaroverzicht BTW en overdrachtsbelasting 2017’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2018/1.
Ook Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 16 november 2017, zaak C-308/16, V-N 2017/58.14 (Kozuba), P. Berkhuizen, ‘Vervaardiging is geen verbouwing, of toch wel? – invloed Kozuba-arrest op vernieuwbouw’, WFR 2018/49, p. 348 en Gomes Vale Viga, noot bij HvJ EU 16 november 2017, zaak C-308/16, FED 2018/41 (Kozuba) gaan ervan uit dat het Hof van Justitie met de uitleg van het begrip ‘verbouwing’ een ondergrens heeft gegeven.
Van Zadelhoff, noot bij HvJ EU 16 november 2017, zaak C-308/16, BNB 2018/26.
Vgl. P. Berkhuizen, ‘Vervaardiging is geen verbouwing, of toch wel? – invloed Kozuba-arrest op vernieuwbouw’, WFR 2018/49, p. 349.
Groot woordenboek van de Nederlandse taal, Dikke Van Dale online, geraadpleegd op 2 april 2021.
Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 16 november 2017, zaak C-308/16, V-N 2017/58.14 (Kozuba).
Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 16 november 2017, zaak C-308/16, V-N 2017/58.14 (Kozuba). Zie ook: Soltysik, commentaar bij HvJ EU 16 november 2017, zaak C-308/16, NTFR 2018/184 (Kozuba) die meent dat de Nederlandse vernieuwbouwcriterium, in wezen nieuwbouw, richtlijnproof is, maar dat het Kozuba-arrest speling lijkt te laten voor een ruimere invulling. Anders: Berkhuizen en Veltrop die menen dat de lat niet hoger gelegd mag worden (P. Berkhuizen, ‘Vervaardiging is geen verbouwing, of toch wel? – invloed Kozuba-arrest op vernieuwbouw’, WFR 2018/49, p. 349 en M.M.J.A. Veltrop, ‘Short stay structuren – Hoe te voorkomen?’, WFR 2020/87, p. 588-589) en Nieuwenhuizen die het goed mogelijk acht dat de Hoge Raad de lat té hoog heeft gelegd (W.A.P. Nieuwenhuizen, ‘Klopt het in-wezen-nieuwbouwcriterium nog wel?’, BTW-bulletin 2018/26, p. 11 en W.A.P. Nieuwenhuizen, ‘Vastgoed en btw – Kozuba ja, Kozuba nee?, NTFR 2018/1385).
Het Hof van Justitie geeft in het Kozuba-arrest naar mijn mening geen definitie van het begrip ‘verbouwing’ en oordeelt ook niet, zoals het Hof wel doet met betrekking tot het begrip ‘eerste ingebruikneming’, dat het begrip ‘verbouwing’ autonoom en uniform moet worden uitgelegd. Hieruit is naar mijn mening af te leiden dat het begrip ‘verbouwing’ geen uniebegrip is.1 Steun voor die opvatting is te vinden in de omstandigheid dat het Hof van Justitie volstaat met het geven van een ondergrens: een verbouwing in de zin van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn veronderstelt op zijn minst dat het betrokken gebouw veranderingen van betekenis moet hebben ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen.2 De vrijheid die art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn aan de lidstaten geeft om te bepalen wanneer sprake is van vernieuwbouw is door die ondergrens tot een minimum beperkt. Vanuit het oogpunt van het beginsel van interneutraliteit is dit toe te juichen, omdat hierdoor wordt voorkomen dat vernieuwbouwcriteria die de lidstaten hanteren al te zeer uiteenlopen. Dit laat onverlet dat Van Zadelhoff terecht vraagtekens plaatst bij deze inperking van de vrijheid van de lidstaten. Uit art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn (en overigens ook uit de richtlijnhistorie) blijkt immers dat het aan de lidstaten is om te bepalen wanneer sprake is van vernieuwbouw. Door die vrijheid op eigen houtje in te dammen overruled het Hof van Justitie de Raad, hetgeen gelet op de scheiding van de wetgevende en rechterlijke macht niet tot het takenpakket van het Hof van Justitie behoort.3 Zoals in paragraaf 5.4.4 reeds is aangegeven, is dit geen incident. Het Hof van Justitie bezondigt zich hieraan vaker.
Uitgaande van het begrip ‘verbouwing’ in de Nederlandse taalversie van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn legt het Hof van Justitie de ondergrens van vernieuwbouw hoog.4 Op grond van het Nederlandse spraakgebruik kan immers ook sprake zijn van een verbouwing zonder dat het betrokken gebouw veranderingen van betekenis heeft ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen. Echter, indien het Nederlandse begrip ‘verbouwing’ naast de door het Hof aangehaalde Engelse, Duitse en Roemeense taalversie worden gelegd, dan blijkt dat deze taalversies geen equivalenten hanteren van het (ruime) begrip verbouwing, maar van het (striktere) begrip ‘transformatie’. Ook in de Franse (‘transformations’), Italiaanse (‘trasformazione’) en Spaanse (‘transformaciones’) taalversie staan equivalenten van het begrip ‘transformatie’. Dat een transformatie van een gebouw veronderstelt dat het betrokken gebouw ten minste veranderingen van betekenis heeft ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen zal minder verbazing oproepen. Uitgaande van het Nederlandse spraakgebruik moet zelfs gezegd worden dat het Hof van Justitie de lat met deze uitleg van het begrip ‘transformatie’ laag legt. Volgens de Dikke Van Dale houdt dit begrip met betrekking tot vastgoed namelijk in dat bestaand vastgoed aan een nieuwe bestemming wordt aangepast.5 Een verandering van betekenis die niet is bedoeld om het gebruik van het gebouw te wijzigen, zou op grond van het Nederlandse spraakgebruik daarom geen transformatie zijn. Dat het Hof van Justitie bij de uitleg van het begrip verbouwing de woorden ‘op zijn minst’ gebruikt, kan niet alleen worden verklaard door de beoordelingsruimte die art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn aan lidstaten geeft. Ook het door het Hof aangehaalde Poolse begrip ‘przebudowa’, dat wederopbouw betekent, kan verklaren waarom het Hof deze woorden gebruikt. De betekenis van dit begrip laat in ieder geval zien dat het Hof terecht constateert dat het begrip ‘verbouwing’ niet eenduidig is.
Dat het Hof van Justitie in het Kozuba-arrest het begrip ‘verbouwing’ (lees: transformatie) in art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn van een ondergrens heeft voorzien, betekent dat lidstaten met hun nationale vernieuwbouwcriterium de lat niet te laag mogen leggen.6 Het is derhalve op grond van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn niet toegestaan om een gebouw dat geen veranderingen van betekenis heeft ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen, aan te merken als een nieuw gebouw. Omdat sprake is van een ondergrens van het begrip verbouwing (lees: transformatie) staat het de lidstaten op grond van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn vrij om de lat (nog) hoger te leggen.7 Dat is dan ook de enige vrijheid die het Hof van Justitie op grond van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn gunt. Indien een belastingplichtige van mening is dat een lidstaat de beoordelingsruimte van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn heeft overschreden, dan kan hij zich hierop rechtstreeks beroepen (zie paragraaf 2.3.4.1.3). In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de richtlijnconformiteit van de nationale vernieuwbouwcriteria in het algemeen (paragraaf 5.6.3) en die van Nederland in het bijzonder (paragraaf 5.6.4)