Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.4.1.3
10.4.1.3 Het grondslagvereiste ter bescherming van concurrente schuldeisers
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS419578:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. §8.5.
Verstijlen 2011, p. 273.
Nr. 3.47 van zijn conclusie bij HR 1 februari 2013, NJdc 2013/156 (Van Leuveren q.q./ ING) m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2013/155 m.nt. B.A. Schuijling en N.E.D. Faber.
Zie: §9.4.7.3.
Zie: §9.3.6 en §9.3.7. Anders: Verstijlen. Hij is van mening dat de wetgever het stille karakter van het zekerheidsrecht wilde voortzetten en niet het generale karakter. Zie: Nr. 10 in Verstijlens noot bij HR 3 februari 2012, NJ 2012/ 216 (Dix q.q./ING) en Verstijlen 2011, p. 275.
Westrik 2003, p. 123; Van den Heuvel 2004, p. 168; J. van Hees, ‘Kroniek van het insolventierecht’, NJB 2012/888, p. 1083; Struycken 2010, p. 325; Verstijlen 2011, p. 275; Rongen 2012, nr. 953 e.v.; Veder 2012, p. 460. Vgl. Conclusie A-G Hammerstein bij HR 3 februari 2012, NJ 2012/216 (Dix q.q./ING) , nr. 2.5. De A-G bepleitte een wetswijziging om de faillissementscurator te beschermen tegen de uitholling van de boedel. Zie: nr. 2.7.
Het grondslagvereiste van artikel 3:239 lid 1 BW is onder meer ingevoerd met een beroep op de bescherming van concurrente schuldeisers, maar heeft dit doel niet kunnen bereiken.1 De motivering van de Minister was dat een schuldeiser geen vorderingen aan zich kon laten verpanden die een schuldeiser zonder zekerheidsrechten niet kon beslaan.2 In theorie kon een schuldeiser zonder zekerheidsrechten daardoor beslag leggen op een vordering die nog niet was verpand aan een andere schuldeiser.3 De praktijk heeft het grondslagvereiste al direct bij de invoering van het BW uitgehold door te streven naar generale zekerheid (§10.3.2). Hierdoor vallen vooral vorderingen onbezwaard in de boedel die op en na de dag van de faillietverklaring ontstaan. Daarnaast zijn de vorderingen onbezwaard die zijn ontstaan voor de faillietverklaring, maar voortvloeien uit een na de laatste registratie van een (verzamel)pandakte ontstane rechtsverhouding. Aangezien de bank de laatste verzamelpandakte waarschijnlijk de dag voor de faillietverklaring laat registreren, zal het beslag dat een concurrente schuldeiser nog legt de volgende dag opgaan in het algemene faillissementsbeslag. Pas nadat de boedelschulden zijn voldaan, zou een restant over kunnen blijven waaruit de concurrente schuldeisers kunnen worden voldaan.
Verstijlen en A-G Timmerman hebben geschreven dat de Hoge Raad in het arrest Dix q.q./ING-arrest het doel van het grondslagvereiste heeft miskend. Volgens Verstijlen wilde de wetgever met dit vereiste voorkomen dat alle vorderingen onttrokken worden aan verhaal door concurrente schuldeisers.4 Volgens A-G Timmerman wilde de Minister bereiken ‘dat van de taart een flinke punt gereserveerd zou blijven voor de concurrente schuldeisers’, maar de werkelijkheid is dat concurrente schuldeisers ‘hun vorderingen als sneeuw voor de zon’ zien verdwijnen.5
De Minister heeft weliswaar het grondslagvereiste verdedigd met een beroep op de bescherming van concurrente schuldeisers, maar wilde ‘slechts’ de bestaande financieringspraktijk continueren en geen veranderingen doorvoeren.6 De constatering van de Minister dat banken ondanks het grondslagvereiste nog steeds pandlijsten periodiek zouden opmaken, toonde aan dat het verhaalsobject van de concurrente schuldeisers – net als onder het OBW – nagenoeg non-existent was. De overige betrokkenen bij de totstandkoming van het BW spraken zich ook uit voor de voortzetting van generale zekerheid.7
Een meerderheid van de literatuur heeft de afschaffing van het grondslagvereiste bepleit.8 Het grondslagvereiste lijkt geen reële functie te vervullen en de wetgever dient het af te schaffen.