Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.3
4.3.3 Beperkte rechten
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264547:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
“Maar of een overeenkomst tot verpanding van een recht van weg, overpad, dreef of waterleiding mogelijk is, moet nader bezien worden, zegt Pomponius; [hij is van mening dat] men de afspraak zo moet maken dat de schuldeiser het genot van die erfdienstbaarheden heeft zolang het geld niet betaald is (uiteraard wanneer hij een naburig erf bezit) en ze aan een buurman mag verkopen als het geld niet op tijd betaald is. De opvatting is inderdaad aanvaardbaar vanwege haar nut voor de contractspartijen.”
Voet, Ad Pandectas I, nr. 8.4.8 en 20.3.1; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.42.14; Noodt, Commentarium, p. 342; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.48.2 en 3.8.3.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.3.1; Noodt, Commentarium, p. 342; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.39.5, 2.48.2 en 3.8.3.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.3.1; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.48.2 en 3.8.3.
Als een pandrecht ontstond op een beperkt recht, kreeg de pandgebruiker de bevoegdheid om het hem verpande beperkte recht uit te oefenen. Ten aanzien van het pandrecht op landelijke erfdienstbaarheden vloeide dit voort uit D. 20,1,12 (Paulus).1 Deze tekst kende aan de pandgebruiker van een erfdienstbaarheid de bevoegdheid toe om de erfdienstbaarheid uit te oefenen. Dan was wel vereist dat de pandhouder de eigendom had van een naburig erf.2 Ook het recht van vruchtgebruik was verpandbaar. De pandhouder van een recht van vruchtgebruik was op grond van D. 20,1,11,2 (Marcianus) bevoegd om het recht van vruchtgebruik zelf uit te oefenen.3 Hetzelfde gold voor andere beperkte rechten, mits zij verpandbaar waren.4