Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.4.1
9.8.4.1 Waarborgen tegen (vrees voor) lichtvaardig gebruik
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS376985:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het ontbreken van rechtspersoonlijkheid is volgens de werknemersleden en een aantal kroonleden van de SER in 1988 een valide argument, zie SER-advies 1988/14, p. 69-70. Kritisch op dit punt is ook Maatman (1989), p. 39, die de vermogenseis geen sterk argument vindt.
Aldus de werknemersleden in het SER-advies 1988/14, p. 69 en in het SER-advies 2003/12, p. 69.
Slagter (1984), p. 42-43. Zie ook Witteveen (1993), p. 92.
Geerts, diss. (2004), p. 83.
Zie L. Sprengers in zijn reactie namens Advocaten Kollektief op de internetconsultatie conceptwetsvoorstel aanpassing enquêterecht (te raadplegen op: www.internetconsultatie.nl/enquêterecht).
De ondernemingsraad kan onder omstandigheden belanghebbende in de zin van art. 2:15 lid 3 sub a BW zijn, zij het dat hij niet de vernietiging kan inroepen van besluiten van organen van de rechtspersoon die naar inhoud of strekking besluiten zijn als bedoeld in art. 25 en 27 WOR en overige artikelen van de WOR. Daarvoor biedt de WOR bijzondere rechtsgangen. Zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* (2015), nr. 316.
Van Duren-Kloppert (2004), p. 47-48.
Zie de reactie van Het Hugo Sinzheimer Instituut (p. 2) op de internetconsultatie conceptwetsvoorstel aanpassing enquêterecht (te raadplegen op: www.internetconsultatie.nl/enqueterecht).
Zaal (2009), p. 46.
OK 4 mei 2009, JOR 2009/190 m.nt. Van Solinge (La Casserole). Deze uitspraak opent voor de rechtspersoon de mogelijkheid om een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen de verzoeker. Dit is een dagvaardingsprocedure bij de OK.
Mok speekt over “een diffamerend karakter of stigmatiserend effect”. Zie Mok (2004), p. 92.
SER-advies 2003/12, p. 76.
Kuijpers (2004), p. 680.
Tuijtel (2005), p. 212.
Zie L. Sprengers in zijn reactie namens Advocaten Kollektief (p. 2) en de reactie van DLA Piper (p. 8) op de internetconsultatie conceptwetsvoorstel aanpassing enquêterecht (te raadplegen op: www.internetconsultatie.nl/enqueterecht).
Uit de vorige paragraaf blijkt dat het feit dat de ondernemingsraad rechtspersoonlijkheid ontbeert en niet beschikt over een voor uitwinning vatbaar vermogen de belangrijkste reden voor de wetgever is om de ondernemingsraad geen enquêtebevoegdheid te geven.1 In de WOR is rekening gehouden met deze omstandigheid. Art. 22a WOR bepaalt dat de ondernemingsraad niet in de proceskosten kan worden veroordeeld in rechtsgedingen met de ondernemer. Een vergelijkbare voorziening in het enquêterecht ligt niet voor de hand, omdat een veroordeling tot vergoeding van de schade die de rechtspersoon lijdt als gevolg van een onredelijk verzoek (art. 2:350 lid 2 BW) een waarborg is tegen lichtvaardige enquêteverzoeken. Deze waarborg valt weg als een veroordeling van de ondernemingsraad niet mogelijk is, waardoor de rem van aansprakelijkheid als bedoeld in voornoemd artikel niet werkt. Een passende oplossing voor dit probleem lijkt moeilijk te vinden. Het is de vraag of hieraan doorslaggevende betekenis moet worden gegeven. Ik meen van niet. Een vordering tot schadevergoeding op grond van art. 2:350 lid 2 BW is in de praktijk nog nooit toegewezen. Daarnaast kunnen ook andere enquêtegerechtigden veroordeeld worden tot het betalen van schadevergoeding ex art. 2:350 lid 2 BW, maar of zij verhaal bieden is vers twee. In dat geval staat de rechtspersoon evengoed met lege handen. Bovendien zijn er andere waarborgen denkbaar die het lichtvaardig instellen van een enquêteverzoek door de ondernemingsraad kunnen beperken.
Zo is voorgesteld om een ondernemingsraad die een enquêteverzoek wil indienen te verplichten daaraan voorafgaand de betrokken vakbonden te raadplegen en wel op straffe van niet-ontvankelijkheid.2 Dit is de systematiek van het huidige art. 2:349 lid 2 BW, maar dan omgekeerd. Slagter stelt zelfs voor dat als de vakorganisatie vervolgens positief adviseert, dit impliceert dat die vakorganisatie aansprakelijkheid accepteert voor de kosten van een (eventuele) veroordeling ex art. 2:350 lid 2 BW.3 Een bijkomend gevolg zal zijn dat vakbonden niet snel een positief advies afgeven, juist om aansprakelijkheid te voorkomen. De enquêtebevoegdheid van de ondernemingsraad wordt daarmee afhankelijk van de instemming van de vakbonden die zelf zelden gebruikmaken van hun enquêtebevoegdheid. Het is dus maar de vraag of deze laatste waarborg in de praktijk effectief is, in die zin dat het de toegang tot het enquêterecht voor de ondernemingsraad mogelijk juist (teveel) beperkt.
Een andere denkbare waarborg is de mogelijkheid om het ontslag van de ondernemingsraadleden uit het dienstverband in te stellen op grond van gewichtige redenen indien het verzoek geheel ten onrechte is gedaan. Van een gewichtige reden, of mogelijk zelfs een dringende reden zoals bedoeld in art. 7:677 BW, zou sprake kunnen zijn als de ondernemingsraad met gebruikmaking van het enquêterecht zijn werkgever ten onrechte in negatieve publiciteit plaatst en daarmee de goede naam van de onderneming aantast.4 Volgens Geerts kan een verzoek dat geheel ten onrechte is gedaan, mogelijk zelfs als een schending van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW aangemerkt worden. Dat zou zijns inziens tot schadeplichtigheid van de individuele leden van de ondernemingsraad kunnen leiden.5
Voorts zou de uitbreiding van de schorsingsbepaling van art. 13 WOR een adequate waarborg tegen lichtvaardig gebruik kunnen zijn. Indien de ondernemingsraad zijn enquêtebevoegdheid misbruikt, zou voor de ondernemer de mogelijkheid moeten bestaan om de ondernemingsraad te laten ontbinden onder verplichting tot het doen verkiezen van een nieuwe ondernemingsraad. De WOR kent een soortgelijke voorziening al in art. 36 lid 7 voor andere situaties.6
Al deze waarborgen (behoudens de door Geerts geopperde mogelijkheid tot schadeplichtigheid op grond van art. 2:8 lid 1 BW, welke situatie in de praktijk naar mijn mening niet snel zal voorkomen), bieden de ondernemer echter niet de mogelijkheid tot een schade- en kostenverhaal. De vraag is of daaraan doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Ik meen van niet.
Naar mijn verwachting zal de bevreesde stormloop van lichtvaardige enquêteverzoeken van ondernemingsraden zich niet voordoen. De wijze waarop de ondernemingsraad omgaat met de beroepsmogelijkheden in kader van zijn adviesrecht geven geen enkele aanwijzing dat het beroepsrecht een instrument is waarvan de ondernemingsraad (te) lichtvaardig gebruik maakt. Evenmin leidt het gebruik van andere rechterlijke procedures, zoals de mogelijkheid om besluiten aan te tasten ex art. 2:15 BW, de geschillenregeling ex art. 36 WOR en de jaarrekeningprocedure, tot een ander inzicht.7 Toch kan de ondernemingsraad in geen van deze procedures in de kosten worden veroordeeld. Daar komt bij dat de enquêteprocedure, anders dan de hiervoor genoemde procedures, een voorfase kent waarin de enquêteverzoeker eerst zijn bezwaren kenbaar moet maken aan het bestuur en de raad van commissarissen. Deze voorfase werkt als filter tegen lichtvaardig gebruik.8
De begrenzing met betrekking tot het lichtvaardig gebruik zie ik ook in de toetsing door de OK zelf. De wettelijke toewijzingseis van een enquêteverzoek – de gegronde redenen – maken het naar mijn mening onwaarschijnlijk dat de OK een enquêteverzoek toewijst en toch achteraf tot lichtvaardigheid van het verzoek concludeert.
Ook de norm ‘misbruik van bevoegdheid’ ex art. 3:13 BW biedt een waarborg tegen lichtvaardig gebruik van het enquêterecht.9 Misbruik maken van (proces) recht in een enquêteprocedure kan op basis van art. 3:13 BW een grond zijn voor niet- ontvankelijkheid. Dit kan aan de orde zijn wanneer er sprake is van onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van het recht en het belang dat hierdoor wordt geschaad.10 Zowel in de Smit Transformatoren-beschikking als in de AHAM- beschikking wordt een beroep gedaan op dit artikel. De OK oordeelt in beide zaken dat de ondernemingsraad geen misbruik maakt van zijn enquêtebevoegdheid.
In de praktijk komt het overigens zelden voor dat de OK een enquêteverzoek afwijst en oordeelt dat het niet op redelijke grond is gedaan. Er is mij slechts één uitspraak bekend.11 Een vordering tot vergoeding van schade die de rechtspersoon als gevolg van het lichtvaardige verzoek lijdt, is bij mijn weten nog nooit toegewezen.
Het argument van de wetgever over het schade- en kostenverhaal hangt voorts samen met het feit dat een enquêteverzoek, of zelfs een voornemen daartoe, een incriminerend en stigmatiserend effect heeft voor de onderneming.12 De ondernemers- en kroonleden van de SER wijzen op de golf negatieve en onjuiste publiciteit dat een ingediend enquêteverzoek of een bekend geworden voornemen daartoe teweeg kan brengen.13 Het onderzoek zelf vergt vaak veel aandacht van bestuurders en andere belangrijke werknemers en kan daarnaast de bedrijfsvoering van de onderneming belemmeren.14 Tegenstanders betogen dat de ondernemingsraad de hiermee gepaard gaande waardedrukkende effecten niet in zijn portemonnee zal voelen.15
Ik ben daarentegen van mening dat een ondernemingsraad in het belang van de continuïteit van de onderneming uitermate voorzichtig zal opereren. De ondernemingsraad en de werknemers hebben van alle stakeholders juist het meest te vrezen van het mogelijk incriminerende effect dat uitgaat van een enquêteverzoek. Daar komt bij dat uit de praktijk blijkt dat het voor ondernemingsraadleden nu al een grote stap is om een WOR-procedure tegen de ondernemer te starten en zij evengoed een positie te verliezen hebben als een rechtszaak niet goed verloopt.16 Dit alles maakt het dat een ondernemingsraad naar mijn mening niet lichtvaardig zal overgaan tot het voeren van juridische procedures. Dat doet hij thans ook niet bij procedures die hij reeds mag voeren.