De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.4.4:9.8.4.4 Samenloop met art. 26 WOR
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.4.4
9.8.4.4 Samenloop met art. 26 WOR
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS375825:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1991-1992, 22400, nr. 3 (MvT), p. 6.
SER-advies 2003/12, p. 76.
SER-advies 2003/12, p. 76 en 69.
SER-advies 2003/12, p. 69.
Geerts, diss. (2004), p. 82.
SER-advies 1988/14, p. 24.
HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 (Ogem). Zie ook HR 21 februari 2003, NJ 2003/181 (VIBA) en HR 21 februari 2003, NJ 2003/182 (HBG).
HR 18 april 2003, RvdW 2003/78 (RNA).
Zo ook Van Duren-Kloppert (2004), p. 49-50.
OK 21 oktober 1999, JOR 1999/228 en 229 (IJsselwerf).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ander punt van discussie bij toekenning van het enquêterecht aan de ondernemingsraad is dat er samenloopproblemen met art. 26 WOR kunnen ontstaan. Samenloop kan zich voordoen als de ondernemingsraad een enquêteverzoek instelt tegen een besluit van de ondernemer ten aanzien waarvan hij ook een beroepsprocedure heeft gestart. Een dergelijke samenloop kan zich thans al voordoen indien de ondernemingsraad een besluit van de ondernemer aanvecht op grond van art. 26 WOR en dit besluit tevens de basis vormt voor een enquêteverzoek van een vakbond. Uit zijn advies uit 1988 blijkt dat de SER geen aanleiding ziet voor een nadere wettelijke regeling omtrent de samenloop van het enquêterecht van vakbonden en de beroepsprocedure. Uit de memorie van toelichting bij de Aanvullingswet van het enquêterecht in 1993 blijkt dat Staatssecretaris van Justitie Kosto de visie van de SER onderschrijft:
“De opvatting van de SER dat er geen aanleiding is voor een nadere wettelijke regeling van de problematiek van de samenloop van het enquêterecht en artikel 26 van de Wet op de ondernemingsraden is ook de mijne . In het bijzonder ben ik gevoelig voor het argument, dat een sluitende regeling tot het tegengaan van samenloop niet eenvoudig is te geven. Met de SER spreek ik het vertrouwen uit dat de ondernemingskamer de beide procedures in voorkomende gevallen op elkaar zal afstemmen. Ook mij lijkt het dat de ondernemingskamer geen moeite zal hebben om snel te beslissen, indien een enquêteverzoek door een vakorganisatie enkel wordt gebaseerd op een ondernemingsbesluit waartegen door een ondernemingsraad reeds tevergeefs op grond van artikel 26 WOR een beroepsprocedure is gevoerd.”1
In zijn advies uit 2003 geeft de SER zijn standpunt over het toekennen van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad. Opvallend is dat de SER wel bezwaren ziet bij een samenloop van een art. 26-WOR procedure en een enquêteprocedure geëntameerd door de ondernemingsraad. De ondernemers- en kroonleden van de SER wijzen in dit kader op het feit dat voor de uitoefening van het beroepsrecht een termijn geldt waarbinnen het beroep door de ondernemingsraad moet worden ingesteld, welke termijn bij het enquêterecht niet geldt.2 Niet alleen de ondernemers- en kroonleden van de SER menen dat de wetgever het samenloopprobleem moet oplossen, maar ook de werknemersleden.3 Volgens de werknemersleden zijn er verschillende opties denkbaar:
“Een mogelijke benadering is dat voorzover bezwaren van de ondernemingsraad betrekking hebben op een besluit van de ondernemer ten aanzien waarvan de ondernemingsraad ook een beroepsrecht ex artikel 26 WOR heeft, de ondernemingsraad niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn enquêteverzoek. Een andere, meer algemene benadering is dat het enquêterecht als zodanig niet van toepassing is wanneer de bezwaren zich richten tegen afzonderlijke besluiten van de ondernemer waarvoor een adviesrecht geldt als bedoeld in artikel 25 WOR.”4
Anders dan de SER, zie ik een eventuele samenloop tussen het enquêterecht en het beroepsrecht niet als een probleem waarvoor de wetgever in actie moeten komen. Het feit dat het beroepsrecht een termijn kent en het enquêterecht niet, is volgens mij niet zo bezwaarlijk. Voor de vernietiging van besluiten ex art. 2:15 BW geldt bijvoorbeeld ook een termijn (van een jaar), welke termijn art. 2:356 sub a BW niet kent.5
Het formuleren van een wettelijke regeling tot het tegengaan van samenloop lijkt mij daarnaast een lastige opgave. In de WOR of enquêteregeling (of in beide regelingen) moet dan worden opgenomen in welke gevallen en onder welke voorwaarden samenloop is uitgesloten.6 Zo’n regeling is volgens mij niet nodig omdat een samenloop tussen de beroepsprocedure en de enquêteprocedure zich slechts sporadisch zal voordoen.7 Niettemin kan sprake zijn van wanbeleid bij een eenmalige gedraging als die gedraging tot zeer nadelige gevolgen heeft geleid voor de onderneming.8 Daarnaast kan ook een incidenteel besluit als wanbeleid kwalificeren als het besluit mogelijk tot nadelige gevolgen had kunnen leiden.9 Het is dus niet ondenkbaar dat de ondernemingsraad een adviesplichtig besluit van de ondernemer gelijktijdig wil toetsen aan art. 26 WOR en tevens wil aanvoeren als een gegronde reden om aan een juist beleid te twijfelen in de enquêteprocedure. In dat geval ligt naar mijn mening de praktische oplossing van voeging van de zaken voor de hand. De OK is immers de rechter die in beide procedures de geschillen beslecht.10 Ik verwacht dat zij de procedures met het oog op een goede procesorde op elkaar zal afstemmen om onnodige herhalingen te voorkomen.
Dat de OK goed kan omgaan met een samenloop van het beroepsrecht en het enquêterecht laat zij zien in de IJsselwerf-beschikking, waarin zij het beroep ex art. 26 WOR opschort in afwachting van de uitkomst van de enquêteprocedure die de vakbond initieerde.11 Uiteindelijk oordeelt de OK in enquêteprocedure dat geen sprake is van wanbeleid. Vervolgens wijst zij het verzoek van de ondernemingsraad in de WOR-procedure af onder duidelijke verwijzing naar het enquêteverslag. In dit geval van samenloop stemt de OK de procedures dus op elkaar af en gebruikt zij de informatie uit het enquêteverslag bij de beslissing op art. 26 WOR-procedure. Het onderzoek in de enquêteprocedure dient hier dus twee procedures. Deze creatieve aanpak en efficiënte wijze van geschilbeslechting kan de OK mijns inziens ook gebruiken bij samenloop van een art. 26-WOR procedure en een enquêteprocedure geëntameerd door de ondernemingsraad. Dit sluit aan bij de hiervoor weergegeven bedoeling van de wetgever, die de onderlinge afstemming van de procedures graag overlaat aan de OK.