Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.4.8
9.8.4.8 Oneigenlijk gebruik
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373448:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies 2003/12, p. 76. Slagter (1984), p. 41.
Holtzer (2001), p. 261-263. In 2003 stuurde ABVA/KABO FNV een (enquête)brief aan KPN en FNV Bondgenoten een (enquête)brief aan Getronics naar aanleiding van de topinkomens, waarna de vakbonden als gevolg van de uitkomsten van het overleg besloten geen enquêteprocedure te starten. Zie hierover Duk (2003), p. 501-502 en Buijs (2003), p. 617-618.
De ondernemingsraad bij de NV heeft enkel een standpuntbepaling ten aanzien van het bezoldigingsbeleid (art. 2:135 lid 2 BW). Dit betreft geen adviesrecht. De vennootschap dient de ondernemingsraad tijdig in de gelegenheid te stellen zijn standpunt te bepalen over een voorstel tot vaststelling van het beloningsbeleid. Het ontbreken van het standpunt van de ondernemingsraad tast de besluitvorming niet aan. De ondernemingsraad bij de BV heeft geen enkele wettelijke bevoegdheid ten aanzien van de bezoldiging (art. 2:245 BW).
Slagter (2004), p. 981. Sprengers meent dat er aanleiding is om te twijfelen aan een juist beleid bij onvoldoende samenhang in het beloningsbeleid. Zie Sprengers, (2004), p. 43.
SER-advies 2003/12, p. 76-77.
De toekenning van het enquêterecht aan de ondernemingsraad schept volgens tegenstanders het risico van oneigenlijk gebruik. In de praktijk zou de ondernemingsraad (de dreiging van) een enquêteverzoek kunnen gebruiken als drukmiddel bij de vervulling van zijn wettelijke taken of voor andere doeleinden dan die gedekt worden door de enquêteregeling.1 Te denken valt aan doeleinden die anders voor een ondernemingsraad onhaalbaar zijn, zoals de wens om invloed uit te oefenen op het beloningsbeleid van bestuurders,2 of omdat de bevoegdheden in de WOR of Boek 2 BW daar niet toereikend voor zijn.3 Een buitenproportioneel beloningsbeleid van bestuurders kan eventueel wanbeleid opleveren.4
De ondernemers- en kroonleden van de SER wijzen voorts op het risico dat de ondernemingsraad een enquêteverzoek indient op verzoek van een partij die zelf ook de enquêtebevoegdheid toekomt, maar daarvan geen gebruik wil maken omdat hij het risico van schadeplichtigheid als bedoeld in art. 2:350 en 2:354 BW te hoog acht. De achterliggende gedachte is dat de ondernemingsraad een dergelijk verzoek kan doen zonder verhaal te bieden (omdat hij geen rechtspersoonlijkheid heeft en niet beschikt over een voor uitwinning vatbaar vermogen) en geen risico loopt op een veroordeling tot schadevergoeding.5 Ik acht de kans dat de ondernemingsraad zich op deze wijze ‘voor het karretje laat spannen’ klein. Een ondernemingsraad zal mijns inziens niet graag zijn vingers branden aan een lichtvaardige enquête op instignatie van een andere enquêtegerechtigde.