Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.3.3
5.3.3 Het zwijgrecht van de verdachte
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200788:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo was er in het geval van Murray volgens het EHRM sprake van een ‘formidable case against him’ ofwel van een ‘prima facie zaak’. Dat de weigering een verklaring te geven tegen Murray gebruikt werd, kan volgens het EHRM onder de omstandigheden niet als oneerlijk of onredelijk worden beschouwd (Stevens, 2005: 11 e.v.).
Verdachten zouden tegenwoordig onder invloed van hun advocaat minder vaak een bekentenis afleggen bij de politie. Sinds 2010 moet in Nederland een verdachte voor het eerste politieverhoor in veel gevallen de gelegenheid krijgen een advocaat te spreken (zie ook hoofdstuk 4). Volgens politiemensen en officieren van justitie zouden minder zaken opgelost kunnen worden, mede doordat het langer duurt om het benodigde bewijs ‘bij elkaar te rechercheren’. Veel frustratie is er over het feit dat de gevolgen van de genomen maatregelen niet of nauwelijks zijn gecompenseerd voor de politie. Daarnaast wordt ‘Salduz’ ook op zichzelf als frustrerend en onnodig complicerend ervaren. Sommige officieren van justitie geven echter aan de maatregelen als gevolg van ‘Salduz’ wel toe te juichen, doordat deze mogelijk een eerlijker strafproces betekent voor de verdachte. Verhoeven & Stevens (2013) zijn op basis van hun onderzoek naar de Salduz-maatregelen niet overtuigd dat problemen voor de criminaliteitsbestrijding hiervan het noodzakelijke gevolg zijn.
Hoe in de praktijk van het strafproces wordt omgegaan met het zwijgrecht van de verdachte is een telkens terugkerend thema als officieren van justitie het hebben over de beoordeling van bewijs. Uit de interviews blijkt dat officieren van justitie hierover verdeeld zijn. De ene officier van justitie beschouwt het zwijgrecht van de verdachte als fundamenteel (ook als dat soms onrechtvaardig aanvoelt), terwijl de ander omstandigheden onderkent waarin dit beginsel zijn absolute werking zou moeten verliezen bij de beoordeling van bewijs.
‘Het geeft soms een groot gevoel van onrecht, maar het is nu eenmaal zo dat iemand het recht heeft om te zwijgen (…). Dat betekent dat je soms moet slikken. Je leert hier: gelijk hebben is niet altijd gelijk krijgen. Dat moet je motto zijn als officier of als politieman, op een grote tegel boven de deur.’
Officieren van justitie delen de opvatting van politiemensen dat het zwijgen door de verdachte kan bijdragen aan de overtuiging van schuld. EHRM-jurisprudentie zegt dat onder specifieke omstandigheden en onder voorwaarden hiervan sprake kan zijn. De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid om aan het zwijgen gevolgen te verbinden, al moet de rechter zijn conclusies motiveren en moet de verdachte worden gewaarschuwd over de juridische gevolgen van zijn zwijgen. Daarbij gaat het volgens Stevens alleen om zaken die om uitleg van de verdachte ‘schreeuwen’ (Stevens, 2005: 13).1 Meerdere officieren menen dat rechters bij de interpretatie van het strafdossier het zwijgen van de verdachte meer in zijn nadeel moeten meewegen:
‘Ik vind dat als iemand iets uit te leggen heeft, dat het raar is als hij dat niet doet. Dan denk ik: waarom vertel je niet hoe het zit? Dan ga ik ervan uit dat er iets te verzwijgen is. Het feit dat geen uitleg gegeven wordt, mag ook bijdragen aan de overtuiging dat wat het OM aandraagt klopt. (…) Ik weet dat iemand niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling, maar je mag wel meewerken aan het bewijzen van je eigen onschuld.’
In strafzaken waarin sterke aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte bij een strafbaar feit bestaan, kan wel aan het bewijsminimum voldaan zijn, maar is de interpretatie van het bewijs cruciaal. Wanneer er aanwijzingen zijn voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit hebben officieren van justitie vaak het gevoel dat de verdachte de plicht heeft zich hierover te verklaren. Meerdere officieren menen dat rechters op zitting meer zouden moeten doorvragen wanneer de verdachte door het beschikbare bewijs de schijn tegen heeft en dit ‘schreeuwt om een verklaring’. Daarnaast lijkt de opvatting van sommige officieren te zijn dat aanhoudend zwijgen van een verdachte tijdens het strafproces eerder moet leiden tot overtuiging van schuld bij de rechters.
‘Je ziet vrijspraken in zaken waarin je een soort circumstantial evidence hebt en je denkt: het kan niet anders. Maar dat wordt dan door de rechter anders geïnterpreteerd. Dat vind ik wel heel ver gaan. Als je ergens geweest bent en toevallig heb je bepaalde spullen in je bezit, dan is dat geen hard bewijs, maar de verdachte heeft wel wat uit te leggen. Ik zie dat de rechter in dergelijke situaties vrijspreekt, omdat hij zegt: “Het is allemaal wel verdacht, maar dat maakt nog geen bewijs.”’
‘Als je naast het lijk staat terwijl je wordt aangehouden, kan ik je zeggen “ik wil niks zeggen”, maar toch heb je wel wat uit te leggen. Dat wil niet zeggen dat je [die persoon hebt gedood], maar je kan het [als rechter] meewegen.’
De mogelijkheid dat ook een onschuldige verdachte kan zwijgen, wordt door deze officieren van justitie niet genoemd. Ogenschijnlijk worden zijn belangen door het zwijgrecht beschermd: hem moet worden voorgehouden dat alles wat hij zegt tegen hem kan worden gebruikt. Echter, volgens de opvatting die sommige officieren van justitie van het zwijgrecht hebben, lijkt dat evenzo te gelden voor wat de verdachte niet zegt.
Zoals hiervoor genoemd menen veel officieren van justitie dat rechters de verdachte op zitting soms onvoldoende kritisch ondervragen of ter verantwoording roepen over de verdenking die tegen hem is gerezen. Hierbij zou bij sommige rechters angst om op de verdediging een bevooroordeelde indruk te maken een rol spelen.
‘Ik vind het jammer dat het enorm verschilt. Je hebt geweldige rechters, die vragen goed door en nemen geen genoegen met zwijgrecht. Zij vragen ‘waarom doet u dit nou’ en willen de waarheid boven tafel krijgen. Je hebt ook rechters die afwachtend zijn en die geen heftige vragen durven te stellen omdat ze bang zijn voor wraking.’
Meerdere officieren van justitie hebben moeite met de wijze waarop rechters het zwijgrecht interpreteren in zaken waarin verdachten pas gaandeweg het strafproces gaan verklaren of telkens hun verklaring aanpassen aan wijzigingen in het strafdossier. De betrouwbaarheid van een verklaring die een verdachte geeft nadat hij tijdens het strafproces enige tijd gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht, dient in hun ogen lager te worden ingeschat dan rechters vaak zouden doen. Een concreet voorbeeld heeft betrekking op een zaak waarin op grote schaal harddrugs zouden zijn geproduceerd bij iemand thuis. De verdachte in deze zaak is vrijgesproken. Volgens de betrokken officier van justitie onterecht, aangezien in zijn ogen is uitgegaan van een verklaring van de verdachte die als onbetrouwbaar terzijde geschoven had moeten worden:
‘Er wordt zoveel materiaal en drugs aangetroffen dat het er niet in een paar uur terecht gekomen kan zijn. [De rechters] vonden dat niet honderd procent vaststaat hoe lang die spullen daar geweest zijn, al vind ik dat [de rechters] dat te gemakkelijk aangrijpen. Daar is het dossier niet helemaal duidelijk in en de rechtbank grijpt elke mogelijkheid voor kritiek [op het strafdossier] aan. Met een beetje interpretatie van het dossier kan je best zeggen dat het eigenlijk niet anders kan dan dat het daar langer dan alleen die ochtend gelegen heeft [en dat de verdachte daarvan moet hebben geweten]. Maar ze gaan uit van het verhaal van de verdachte [dat hij niets wist van de verboden spullen]. Waarom zou je dat doen [als rechter]? Iemand die vier, vijf keer gelegenheid heeft gehad om te verklaren maar nooit heeft verklaard. Dan gaan ze uit van de notie in het strafrecht, dat je mag zwijgen en liegen en dat niet tegen iemand kan gebruiken, maar dat vind ik hier niet terecht. (…) Ik vond het zo ongeloofwaardig in dit stadium.’
Deze officier meent dat advocaten hun cliënten vaak adviseren om (tijdelijk) van hun zwijgrecht gebruik te maken, maar dat brengt hem niet aan het twijfelen over de schuld van verdachte in dit geval. Hij vindt dat de verdachte zichzelf veel eerder had moeten vrijpleiten, bij de rechter-commissaris of op zitting.
Sommige officieren van justitie vermoeden dat het advies van de advocaat om te zwijgen erop is gericht te profiteren van het tegenwoordig sterker ontwikkelde ‘scenariodenken’ onder rechters. Dat vaak niet-onderzoekbare aanknopingspunten geboden zouden worden om een aangedragen alternatief te toetsen, wordt door officieren van justitie gezien als een kenmerk hiervan. Dergelijke situaties denken zij soms te kunnen herkennen.
‘Als de verdachte pas gaat verklaren als het dossier er is, dan werkt dat voor mij mee aan de overtuiging dat de feiten zijn gepleegd. Waarom geeft hij anders niet direct openheid van zaken? Die manier van kijken wordt helaas niet gedeeld door rechters.’
‘De rechter verbindt vaak geen consequenties aan bepaald gedrag. Iemand die drie maanden zwijgt en op het moment dat hij het dossier helemaal heeft doorgelezen, een verklaring aflegt die binnen dat verhaal past. Daarbij hebben wij de neiging om te denken: dat is geconstrueerd. Dat hoor je zelden een rechter zeggen. Wij zijn redelijke mensen. Als dat nou zo is [wat er wordt verklaard], waarom zeg je dat dan niet meteen? Het gaat ons om waarheidsvinding, maar de verdachte natuurlijk niet. Die wil er ongeschonden uitkomen en daar hebben ze meer mogelijkheden voor gekregen en tegelijkertijd zie je ook dat daar grenzen aan zitten en rechters het ook niet altijd slikken.’
Ook het voorbeeld van de harddrugsproductie sluit hierbij aan:
‘Wat gebeurt er? Op zitting zegt hij: “Ik wist wel dat er iets aan de hand was. Een familielid, ik noem de naam niet, die wilde toegang hebben. Ik heb toegang verschaft en ik zou er wat geld voor krijgen.” Dat is een hele nieuwe verklaring, voor het eerst op zitting. De rechtbank vraagt een beetje door. Hij wil niet zeggen welk familielid het is of de details van de afspraak. Die blijven vaag. Voor mij is dat gewoon een verklaring die hij met zijn advocaat heeft gefabriceerd aan de hand van het dossier. Waar leidt het dossier toe? Is het voldoende voor dit of dat? De enige uitweg die ik kan geven, zal de advocaat gezegd hebben [tegen de verdachte], is als je zoiets zegt.’
Ook in het kader van de OM-afdoening komt een beperkte opvatting van het zwijgrecht voor. Zo meent een officier van justitie dat aan sommige zwijgende verdachten een geldboete moet worden opgelegd, ook als het door de politie aangeleverde bewijs op zichzelf niet overtuigend is. Komt de verdachte niet in verzet nadat een strafbeschikking is opgelegd, dan lijkt dat door deze officier te worden beschouwd als een bekentenis. Bij deze opvatting speelt ontevredenheid over veronderstelde negatieve gevolgen van de Salduz-maatregelen2 een rol. Ook het vermoeden dat sommige verdachten vanwege hun culturele achtergrond eerder zouden zwijgen tijdens het politieverhoor ligt hieraan ten grondslag.
‘Er zijn tegenwoordig vanwege Salduz en bepaalde milieuachtergronden verdachten die zwijgen. Zij beroepen zich op hun zwijgrecht en willen nooit iets. Dan kun je met iemand die bij de politie komt voor bijvoorbeeld een winkeldiefstal heel moeilijk gaan doen en alles van stal trekken, maar je kan ook een geldboete geven en gewoon eens zien hoe het afloopt. Hij heeft veertien dagen om verzet aan te tekenen en doet hij dat, is dat zijn goed recht. (…) Als je piept, dan zien we je wel bij de rechter en anders betaal je gewoon.’
Uit voorgaande wordt duidelijk dat het zwijgrecht door officieren van justitie soms niet wordt opgevat als een waarborg ter bescherming van de individuele verdachte, maar als een mogelijkheid voor de verdachte en zijn advocaat om onnodig het strafproces te blokkeren. Hoewel van een vorm van obstructie sprake kan zijn, bestaat de kans dat ook een onschuldige verdachte ervoor kan kiezen om te zwijgen. Hier lijkt men zich niet altijd van bewust en van de onschuldpresumptie (onderdeel van het due process model) is in dergelijke gevallen geen sprake meer.