Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/1.1
1.1 Onderwerp van onderzoek
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193628:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Berghuis (1967), p. 47 en 48. Concordia Res Parvae Crescunt kan vertaald worden als ‘Door eendracht groeien kleine dingen’.
EFAMA, International Statistical Release, 2018 Q4.
Wegman (2016), p. 26.
Vgl. Moloney (2014), paragraaf III.3.2.1.
90% van de deelnemers in icbe’s zijn huishoudens en dus niet-professionele beleggers. Moloney (2014), paragraaf III.3.2.2.
Slot (2004), p. 22.
DNB, statistiek, tabel 6.6.2, laatste update 2 juli 2019 en DNB, statistiek, tabel 6.3 laatste update 15 augustus 2019.
Birdthistle en Morley (2018), p. 1.
Een van de belangrijke verordeningen die voortkomt uit het actieplan duurzame groei financieren is Verordening (EU) 2019/2088 (SFDR). Zie COM(2018) 97 final voor het gehele actieplan. De Klerk (2017) beschrijft in meer detail de rol van beleggingsinstellingen bij het realiseren van de Kapitaalmarktunie.
Met ‘financieel toezichtrecht’ doel ik op de regels die de financiële markten en de spelers daarop reguleren. Deze definitie ontleen ik aan Lieverse (2017) paragraaf 1. Zie ook Van Praag (2017a), paragraaf 2.1, waarin de auteur de essentie van financieel toezicht uiteenzet.
De Engelse afkorting wordt ook veelvuldig gebruikt; UCITS. Richtlijn 2009/65/EG.
Einde eerste kwartaal 2017 waren er 106 icbe’s gevestigd in Nederland en 1716 abi’s (Register AFM). Het verschil in beheerd vermogen is ook substantieel. De totale activa van Nederlandse icbe’s omvatten begin 2018 EUR 35 miljard, terwijl dit voor abi’s ruim EUR 780 miljard was (EFAMA, International Statistical Release, 2018 Q1).
Zie bijvoorbeeld Van Setten en Busch (2014), Labeur en De Wit (2018), Hooghiemstra (2014) en Hoekstra (2012).
Moloney (2014), paragraaf III.3.2.2.
Begin 2019 belegden Nederlandse beleggers zo’n EUR 144 miljard in beleggingsinstellingen uit deze twee lidstaten, van in totaal EUR 180 miljard belegd vermogen in Europese beleggingsinstellingen (DNB, statistiek, tabel 6.6.2, laatste update 2 juli 2019).
AFM-register, datum 7 september 2019.
Zie ook paragraaf 4.4.5.
‘Concordia Res Parvae Crescunt’ was de naam van een van de eerste beleggingsinstellingen ter wereld.1 Een visionaire titel, zo blijkt bijna 250 jaar later. Want alhoewel deze beleggingsinstelling slechts een vermogen van NLG 500.000 ophaalde, is de beleggingsinstellingenindustrie anno 2019 uitgegroeid tot een wereldwijde industrie met een omvang van zo’n EUR 44 triljard.2
Een beleggingsinstelling is een mandje van beleggingen waarin meerdere participanten kunnen deelnemen en dat beheerd wordt door een professionele partij.3 Dit brengt diverse evidente voordelen met zich mee. Door de vermogensbeheerdienstverlening via een beleggingsinstelling aan te bieden kan een groep beleggers met vergelijkbare beleggingsdoelstellingen worden bediend. Dit levert schaalvoordelen op.4 Ook kunnen kleinere klanten die niet in aanmerking zouden komen voor een bilaterale relatie, van de dienstverlening gebruikmaken.5
In een proefschrift over de Nederlandse historie van beleggingsinstellingen werd wel gesteld dat beleggingsinstellingen bijgedragen hebben aan de democratisering van het kapitalistisch systeem, zoals auto’s hebben bijgedragen aan de democratisering van de mobiliteit.6 Een van de voornaamste redenen hiervoor is dat beleggingsinstellingen het voor beleggers mogelijk maken om met beperkte middelen een gespreide portefeuille in effecten te verwerven. De beleggingsinstelling maakt het voor eenieder mogelijk te participeren in en te profiteren van de effectenhandel.
Nederlandse ingezetenen hebben begin 2019 ruim EUR 850 miljard belegd in Nederlandse beleggingsinstellingen en nog eens ruim EUR 180 miljard in Europese beleggingsinstellingen die gevestigd zijn buiten Nederland.7 Pensioenfondsen, verzekeraars, vermogensbeheerders, banken en consumenten zijn de belangrijkste beleggers in deze beleggingsinstellingen. Veel Nederlanders participeren direct of indirect in de waardeontwikkeling van beleggingsinstellingen.
Beleggingsinstellingen zijn niet alleen van belang als beleggingsinstrument, maar ook als belegger. Een groot deel van de activa wordt belegd in financiële instrumenten en financiële objecten. In die hoedanigheid is de beleggingsinstelling dan ook een speler van betekenis geworden op de financiële markten. In Amerika wordt 50% van de publiek verhandelbare effecten gehouden door beleggingsinstellingen.8 Ook de politiek is doordrongen van het belang van beleggingsinstellingen. Zo spelen ze een belangrijke rol in het realiseren van de Kapitaalmarktunie, een omvangrijk plan van de Europese Commissie om de economie en het aantal banen te laten groeien, en in het actieplan ‘Duurzame groei financieren’, dat de EU moet helpen haar klimaat- en energiedoelstellingen te behalen.9
Niet alleen het vermogen dat beheerd wordt door beleggingsinstellingen is de afgelopen decennia gegroeid, dit geldt ook voor het financieel toezichtrecht.10 Een omvangrijk deel van het Nederlandse hedendaagse financieel toezichtrecht vindt zijn oorsprong in Europa. Er zijn twee toezichtregimes in de Europese Unie voor beleggingsinstellingen. Het oudste regime dateert uit 1985 en is de Richtlijn betreffende instellingen voor collectieve belegging in effecten, ook wel aangeduid als de Icbe-Richtlijn.11 Deze Richtlijn is inmiddels meerdere keren herzien. De meest recente wijziging wordt aangeduid met Icbe-Richtlijn V. Deze Richtlijn wijzigt Icbe-Richtlijn IV, die op haar beurt de Richtlijnen daarvoor verving. Icbe-Richtlijn IV was een volledige herziening en hernummering. Als in dit proefschrift wordt verwezen naar de Icbe-Richtlijn, wordt gedoeld op Icbe-Richtlijn IV zoals gewijzigd door Icbe-Richtlijn V. Beleggingsinstellingen die onder deze Richtlijn vallen, worden ook wel aangeduid als instellingen voor collectieve belegging in effecten, oftewel icbe’s. Nadat een icbe een vergunning in een Europese lidstaat heeft verkregen, mogen deelnemingsrechten van de icbe ook in andere lidstaten worden aangeboden.12 Hiervoor is geen vergunning vereist, een notificatie volstaat.
Van recentere datum is een tweede Europees regime waar beleggingsinstellingen onder kunnen vallen. Dat is de Richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen, ook wel aangeduid als de AIFM-Richtlijn.13 Beleggingsinstellingen die onder deze Richtlijn vallen, worden ook wel abi’s genoemd. Deze abi’s mogen binnen de Europese Unie na notificatie in een lidstaat worden gedistribueerd aan professionele beleggers.14 In Nederland vallen de meeste beleggingsinstellingen onder de laatstgenoemde Richtlijn.15 Vanwege het grotere belang van de abi in de Nederlandse beleggingsinstellingenindustrie, vanwege de recente datum van deze Richtlijn en vanwege alle problematiek die de inwerkingtreding van de nieuwe Richtlijn met zich meebracht, heeft deze laatste Richtlijn in de Nederlandse juridische literatuur meer aandacht gekregen dan de Icbe-Richtlijn.16
Alhoewel de meeste beleggingsinstellingen gevestigd in Nederland onder de reikwijdte van de AIFM-Richtlijn vallen, is het belang van de icbe voor Nederlandse beleggers niet gering. Veel Nederlandse huishoudens bezitten direct of indirect deelnemingsrechten in icbe’s. Gemiddeld genomen heeft 10% van de Europese huishoudens beleggingen in deelnemingsrechten van icbe’s.17 Deze icbe’s zijn echter frequent buiten Nederland gevestigd. Twee Europese landen vormen een belangrijk vestigingscentrum voor icbe’s: Luxemburg en Ierland.18 Veel icbe’s die in Nederland worden gedistribueerd, zijn gevestigd in deze landen. Er worden echter icbe’s uit veel meer lidstaten in Nederland gedistribueerd. Een blik op het AFM-register leert ons dat in Nederland icbe’s worden aangeboden uit onder andere Duitsland, Frankrijk, België, Malta, Zweden, Denemarken, Liechtenstein, het Verenigd Koninkrijk, Italië en Noorwegen.19
Om in Nederland aangeboden te mogen worden aan particuliere beleggers hoeft een icbe die is gevestigd in een andere lidstaat uitsluitend genotificeerd te worden in Nederland. Bij een notificatie wordt geen vergunning verleend, ook is er geen sprake van een uitgebreide toets door een toezichthouder. In het kort dient een notificatie te worden gezien als een aanmelding.20 Er wordt van uitgegaan dat deelnemers in de icbe voldoende beschermd worden omdat de icbe voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in de Icbe-Richtlijn. Hiermee speelt de Icbe-Richtlijn een belangrijke rol in de bescherming van beleggers in Nederland.
Desalniettemin is de Nederlandse literatuur over icbe’s beperkt. In dit proefschrift tracht ik een bijdrage te leveren aan de Nederlandse literatuur over icbe’s. Een beter begrip van de Icbe-Richtlijn is niet alleen interessant voor Nederlandse icbe’s maar ook voor Nederlandse beleggers in buitenlandse icbe’s.