Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/8.2.1
8.2.1 Rangorde naar volgorde van inschrijving
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS388306:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierboven par. 4.2.6. over deze bewuste breuk met het Franse recht, waarin een hypothecaire inschrijving geschiedde op de naam van de eigenaar van de onroerende zaak.
Zie art. 3:19 lid 2 BW dat als verduidelijking op het Ontwerp Meijers is toegevoegd. Zie PG Boek 3 BW, p. 122.
Zie art. 4 Kadw jo. art. 2 lid 1 Organisatieregeling Kadaster 2008. Deze regeling betreft een besluit van het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers waarmee hij gebruik maakt van de aan hem in art. 4 Kadw toegekende bevoegdheid om onder meer de openingstijden te bepalen.
Zie PG Boek 3 BW, MvA II, p. 123 en 124.
De voorwaarden voor terugwerkende kracht zijn opgenomen in art. 3:20 lid 4 BW. De belanghebbende moet binnen veertien dagen een dagvaarding uitbrengen én binnen een week na de uitspraak van de voorzieningenrechter de stukken opnieuw aanbieden. De bewaarder kan ook vrijwillig terugkomen op zijn weigering, hetzij binnen veertien dagen na de oorspronkelijke aanbieding, hetzij hangende het geding in eerste aanleg binnen veertien dagen na de uitgebrachte dagvaarding. Zie voor een schematische weergave Van Straaten 1992, p. 58.
Na weigering vindt een voorlopige aantekening in de registers plaats. Deze voorlopige aantekening beoogt te waarborgen dat derden die de registers raadplegen niet verrast kunnen worden door een later met terugwerkende kracht ingeschreven recht met hogere rang. Vgl. art. 3:20 lid 5 BW. Zie PG Boek 3 BW, MvA II, p. 124.
Zie PG Boek 3, MvA II, p. 122. Zie over gevolgen hiervan de paragraaf hierna.
Als uitgangspunt is immers ervoor gekozen niet zozeer rechten te doen inschrijven, maar de feiten die voor het ontstaan en tenietgaan van rechten van belang zijn. Zie PG Boek 3 BW, TM, p. 115.
Zie art. 3:17 lid 2 BW waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat bijzondere wetsbepalingen kunnen toelaten dat feiten worden ingeschreven die alleen persoonlijke rechten geven of opheffen.
Zie PG Boek 3 BW, MvA II, p. 122. Overigens had de Raad van State in overweging gegeven een in het kader van gelijktijdige inschrijvingen voorgestelde regeling te schrappen omdat dit zich slechts zelden zou voordoen. Naar het oordeel van de wetgever berust dit echter vanwege de toezending van stukken per post op een misvatting. Zie PG Inv. Boek 3 BW, p. 1090.
De openbare registers vervullen sinds hun invoering in 1838 vanwege het inzicht dat zij verschaffen in de rechtstoestand van een perceel,1 een belangrijke functie bij de vaststelling van de rangorde tussen meerdere goederen-rechtelijke rechten op hetzelfde registergoed.2 Meerdere goederenrechtelijke rechten nemen rang in naar de volgorde waarin zij tot stand zijn gekomen. Aangezien een goederenrechtelijk recht op een registergoed tot stand komt bij de registratie is het moment van registratie doorslaggevend voor de rang die het recht inneemt in relatie tot andere op het registergoed gevestigde goederenrechtelijke rechten. Het moment van registratie valt in beginsel samen met het tijdstip waarop het recht ter registratie wordt aangeboden,3 met dien verstande dat inschrijving alleen mogelijk is gedurende de openingstijden van de kantoren van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, te weten van maandag tot en met vrijdag tussen 9.00 uur en 15.00 uur.4 Ook indien een inschrijving aanvankelijk door de bewaarder is geweigerd, kan op grond van art. 3:20 lid 4 BW alsnog het moment van de oorspronkelijke aanbieding als registratietijdstip te gelden hebben. De gedachte is dat een belanghebbende immers geen slechtere positie in de rangorde behoort te verkrijgen vanwege het enkele feit dat een kort gedingprocedure naar aanleiding van een – indien zulks achteraf blijkt – onterechte weigering door de bewaarder moest worden afgewacht.5 In verband met de rechtszekerheid waaraan de registers beogen bij te dragen, dient dan wel – kort gezegd6 – binnen veertien dagen actie te worden ondernomen.7
Om in het kader van botsende goederenrechtelijke rechten op een registergoed een rangorde vast te stellen moet worden aangeknoopt bij de tijdstippen waarop de rechten zijn geregistreerd. Aan deze toepassing van de prioriteitsregel ten aanzien van registergoederen wordt uitdrukking gegeven in art. 3:21 lid 1 BW. Hierin is als hoofdregel expliciet bepaald dat de rangorde van inschrijvingen die op hetzelfde registergoed betrekking hebben, wordt bepaald door de volgorde der tijdstippen van inschrijving. Op het eerste gezicht lijkt deze bepaling in het kader van meerdere goederen-rechtelijke rechten overbodig. Het absolute karakter van goederenrechtelijke rechten brengt immers reeds mee dat een later tot stand gekomen recht rang inneemt na een eerder gevestigd recht. In het Ontwerp Meijers ontbrak dan ook een dergelijke rangordebepaling voor registergoederen.8 De parlementaire behandeling wees evenwel uit dat de voorkeur ernaar uitging om uitdrukkelijk tot uiting te brengen dat anders dan naar oud recht niet de dag, maar het tijdstip van de inschrijvingen de rang bepaalt.9 Gelet op de in art. 3:21 lid 1 BW gehanteerde terminologie – gesproken wordt van ‘inschrijvingen’ en niet van ‘goederenrechtelijke rechten’10 – is het toepassingsbereik bovendien ruimer dan dat van botsende goederenrechtelijke rechten. Tot de in art. 3:17 BW genoemde voor inschrijving vatbare feiten behoren immers ook – zij het bij wijze van uitzondering krachtens uitdrukkelijke wetsbepaling – verbintenisrechtelijke figuren zoals de kwalitatieve verplichting en de Vormerkung.11 Ook dergelijke persoonlijke rechten nemen in het kader van art. 3:21 lid 1 BW rang in naar het tijdstip van inschrijving.
Het belang van de codificatie van art. 3:21 BW ligt met name in het tweede lid van dat artikel. Er zijn immers gevallen denkbaar waarin geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de tijdstippen van registratie op eenzelfde dag en daarom een nadere regeling behoeven. Zo voorzag de wetgever een probleem voor de vaststelling van de rangorde indien meerdere ter inschrijving aangeboden stukken in eenzelfde postbestelling binnenkomen.12 Hoewel het probleem van de toezending per post inmiddels nagenoeg is achterhaald door de elektronische aanbieding van stukken, blijven gevallen van gelijktijdige registratie denkbaar. Zo geeft de beperking dat stukken alleen gedurende gezette tijden ter inschrijving kunnen worden aangeboden aanleiding tot een nadere regeling zoals die van het tweede lid. Meerdere rechten die na 15.00 uur ter inschrijving worden aangeboden worden immers gelijktijdig en wel om 9.00 uur op de eerstvolgende werkdag ingeschreven.